Rechtspraak
De ex-echtgenote van belanghebbende woonde in het jaar 2009 in de voormalige echtelijke woning. Belanghebbende heeft in dat jaar de woonlasten van het pand betaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat deze betalingen berusten op een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. De door belanghebbende betaalde bedragen zijn dan ook niet aftrekbaar als partneralimentatie.
Geschil
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het onderhavige jaar, en overigens ook in de jaren hiervoor, voor de betaling van de woonlasten zorg heeft gedragen. Wel is tussen partijen in geschil of het door belanghebbende (belastingplichtige) betaalde bedrag van (afgerond) € 19.544, in het onderhavige jaar aangemerkt kan worden als een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3., eerste lid, aanhef onder a, Wet IB 2001. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de belastinginspecteur ontkennend.
Artikel 6.3 van de Wet IB 2001 bepaalt het volgende:
“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:
a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;
b. afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot;
(…)”
Afspraken echtscheidingsconvenant
De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de bewijslast rust dat de betalingen berusten op een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Het kan dan gaan om betalingen die belanghebbende moet verrichten aan zijn ex-echtgenote naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak in een echtscheidingsprocedure of op grond van een echtscheidingsconvenant (artikel 1:158 BW). Naast het bestaan van een familierechtelijke betrekking en het verrichten van betalingen is dus voor aftrek vereist dat de betalingen zijn verricht uit hoofde van een op belanghebbende rustende verplichting om in zoverre bij te dragen in het levensonderhoud van zijn ex-echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij in de onderhavige procedure heeft aangevoerd dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De door belanghebbende overgelegde echtscheidingsbeschikking bevat, naar het oordeel van de rechtbank, in ieder geval geen steun voor het standpunt van belanghebbende.
Eerdere uitspraken
Belanghebbende heeft in de onderhavige procedure verwezen naar een tweetal uitspraken. Het betreft de uitspaak van rechtbank Almelo van 16 mei 2012 (ECLI:NL:RBALM:2012:BW8395 ) en van de rechtbank Dordrecht van 23 juni 2010 (ECLI:NL:2010:BM8864). Belanghebbende wijst er op dat in die uitspraken is geoordeeld dat betaalde hypotheekrente gezien kan worden als betaalde partneralimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank stond echter in die gevallen vast dat de partner op grond van een rechterlijke vonnis gehouden was om de maandelijkse hypotheeklasten te voldoen. Er was dan ook in dat geval sprake van “een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting”. Hier is dit juist de vraag die partijen verdeeld houdt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende geen steun kan ontlenen aan deze uitspraken.
Bron: Rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBZWB:2014:1685)
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99