A-G Niessen meent dat drie momenten in principe in aanmerking komen om het startpunt te markeren voor een ‘woning in aanbouw’.
Het eerste is dat waarop de belanghebbende de grond verwerft waarop hij voornemens is een woning te bouwen.
Het tweede moment is dat waarop niet alleen het oogmerk van de belanghebbende vaststaat, doch ook de grond bouwrijp is en de omgevingsvergunning bouw als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verkregen.
De derde mogelijkheid is om aan te sluiten bij de start van de feitelijke bouwactiviteiten, dat wil zeggen zodra wordt aangevangen met heien of het leggen van de fundering.
Hoewel de ratio van de regeling, zoals deze volgt uit de parlementaire geschiedenis, aanleiding kan geven om reeds bij optie 1 van een woning in aanbouw te spreken, meent de A-G dat vanwege het gewicht van andere aanwijzingen een andere keuze moet worden gemaakt. Voor optie 3 pleiten het taalgebruik en de aansluiting bij de regelingen in de onroerendezaakbelastingen en de overdrachtsbelasting. Derhalve is sprake van een ‘woning in aanbouw’ zodra wordt aangevangen met het heien of het leggen van de fundering voor het desbetreffende gebouw, aldus de A-G.
Bron: Rechtspraak.nl
Klik hier voor een uitspraak - herbouw afgebrande woning
Klik hier voor een uitspraak - voorbereidingshandelingen ‘woning in aanbouw’ en bouwvergunning.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99