In de WW geldt als hoofdregel dat ouderdomspensioen (waaronder deeltijd- en prepensioen) volledig wordt verrekend met de WW-uitkering.
Daarop bestaan twee uitzonderingen. De uitzondering die in dit verband van belang is, betreft de situatie dat een werknemer met deeltijdpensioen gaat en wiens (resterende) dienstbetrekking vervolgens eindigt. Op de WW-uitkering die de werknemer daarom ontvangt, wordt het deeltijdpensioen niet in mindering gebracht. Achtergrond bij deze uitzondering is dat verrekening van ouderdomspensioen (deeltijdpensioen) in deze specifieke situatie tot een ongewenste uitkomst zou leiden, omdat het een onevenredig groot inkomensverlies voor een werknemer meebrengt.
Voorbeeld 1
Het eerste voorbeeld betreft een werknemer met een loon van € 50.000. De heer X onderscheidt daarbij twee situaties.
In de eerste situatie wordt de betreffende werknemer eerst werkloos. Hij ontvangt daarom een WW-uitkering van € 35.000. Vervolgens ontvangt de betreffende werknemer een prepensioen. Hier geldt de hoofdregel dat het ouderdomspensioen volledig wordt verrekend met de WW-uitkering. Dit heeft tot gevolg dat het totale inkomen van de werknemer, ongeacht de hoogte van het prepensioen, € 35.000 blijft bedragen. Anders gezegd, zijn totale inkomen bedraagt 70% van zijn laatstverdiende loon. Dat vind ik een redelijke uitkomst.
In de tweede situatie gaat de werknemer eerst minder werken en ontvangt daarom een deeltijdpensioen. Zijn loon daalt bijvoorbeeld van € 50.000 naar € 40.000. Vervolgens wordt de betreffende werknemer werkloos. Hij ontvangt daarom een WW-uitkering van € 28.000. Dat is € 7.000 minder dan in de eerste situatie, ondanks dat de werknemer – voordat hij met deeltijdpensioen ging – evenveel verdiende. Als hierop het deeltijdpensioen in mindering zou worden gebracht – conform de hoofdregel – zou deze werknemer een heel laag totaal inkomen ontvangen. Daarom wordt het deeltijdpensioen in deze situatie niet in mindering gebracht op de WW-uitkering.
Voorbeeld 2
Het tweede voorbeeld betreft een werknemer met een loon van € 70.000. Dit voorbeeld wijkt af van het eerste voorbeeld omdat het loon ligt boven het maximumdagloon van € 197,00. Dit is omgerekend ongeveer € 50.000 per jaar. De wetgever heeft het redelijk gevonden dat een uitkering niet hoger kan zijn dan 70% van dit bedrag, omdat ook slechts premie wordt geheven tot dat bedrag. Dit berust op het equivalentiebeginsel.
Dat de werknemer meer verdient dan het maximumdag- of jaarloon heeft de volgende gevolgen voor de eerder genoemde twee situaties. In de eerste situatie ontvangt de werknemer ook nu een uitkering van € 35.000 als hij werkloos wordt. Dat is weliswaar maar 50% van zijn laatstverdiende loon, maar het is wel 70% van het maximumjaarloon. Ook nu wordt het prepensioen dat hij daarna ontvangt volledig verrekend met zijn WW-uitkering. Zijn totale inkomen blijft daardoor € 35.000, oftewel 70% van het maximumjaarloon.
In de tweede situatie daalt het loon van de werknemer, vanaf het moment dat hij met deeltijdpensioen gaat, van € 70.000 naar € 40.000. Als hij vervolgens werkloos wordt, ontvangt hij een WW-uitkering van € 28.000. Ook hier geldt dat als het deeltijdpensioen daarop in mindering zou worden gebracht – conform de hoofdregel – dat de werknemer een heel laag totaal inkomen zou ontvangen. Daarom wordt, als gezegd, het deeltijdpensioen in deze situatie niet in mindering gebracht op de WW-uitkering.
Bron: Mininsterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99