De woning is voor de toepasselijkheid van de afdeling 3.6 van de Wet IB 2001 aan te merken als een ‘eigen woning’ voor de huiseigenaar.
De Belastinginspecteur betoogt in de eerste plaats dat de door De huiseigenaren betaalde erfpachtcanon niet kwalificeert als een aftrekbare periodieke betaling als bedoeld in onderdeel b van artikel 3.120, eerste lid, van de Wet IB 2001, omdat het recht van erfpacht geen verband houdt met verwerving en/of verbetering van de eigen woning. Dit laatste is volgens de Belastinginspecteur wel een vereiste voor aftrekbaarheid, gelet op doel en strekking van de regeling.
De rechtbank is van oordeel dat, nu het recht van erfpacht verband houdt met de eigen woning, er geen aanleiding bestaat om de erfpachtcanon van aftrekbaarheid uit te sluiten. De rechtbank volgt de Belastinginspecteur niet in diens uitleg van artikel 3.120, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001. De bewoordingen van deze bepaling geven immers geen aanleiding te twijfelen aan de reikwijdte ervan, nog daargelaten dat uit de wetsgeschiedenis, anders dan De Belastinginspecteur kennelijk betoogt, niet valt af te leiden dat nadere voorwaarden aan de erfpachtcanon gesteld worden om te kunnen kwalificeren als aftrekbare kosten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt daarentegen dat de wetgever periodieke canonbetalingen in aftrek toe heeft willen laten, juist ook ter ‘compensatie’ van de omstandigheid dat bij de bepaling van het eigenwoningforfait geen rekening wordt gehouden met een erfpachtsituatie, terwijl het een vast gegeven is dat de waarde van een onroerende zaak lager is indien sprake is van een woning op erfpachtgrond.
De rechtbank oordeelt dat de Belastinginspecteur, op wie in dezen de bewijslast rust, er niet in is geslaagd te bewijzen dat belastingbesparing voor de huiseigenaren de doorslaggevende beweegreden was voor het aangaan van de onderhavige transacties. De Belastinginspecteur erkent immers de stelling van De huiseigenaren, dat de ouders met de onderhavige rechtshandelingen vermogensoverheveling naar hun kinderen op het oog had. Dat de transactie tevens heeft geleid tot fiscaal voordeel in de sfeer van de inkomstenbelasting, is in dit verband onvoldoende om te concluderen dat sprake is van fraus legis. Het staat een ieder immers – in beginsel – vrij de beoogde handelingen zodanig vorm te geven dat zo min mogelijk belasting wordt betaald.
Klik hier voor de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99