Personeelslening
De heer Van Dijck vraagt of het voordeel van de laagrentende hypothecaire personeelslening tot het loon gerekend kan worden. In beginsel is ook nu al sprake van loon, dat uit praktische overwegingen niet als zodanig wordt belast. Het tot het loon rekenen van het rentevoordeel kan immers leiden tot een in omvang gelijke aftrek in de inkomstenbelasting. Het bijtellen in de loonbelasting heeft in zoverre per saldo geen invloed op de te betalen belasting. Door de recent doorgevoerde stapsgewijze verlaging van het maximale renteaftrekpercentage vindt in bepaalde gevallen de aftrek van de rente in de inkomstenbelasting niet meer plaats tegen hetzelfde tarief als waartegen het voordeel in de loonbelasting belast zou zijn. Hierdoor kan het al dan niet belasten van de rentekorting in de loonbelasting stapsgewijs toenemende gevolgen krijgen voor de te betalen belasting. Om die gevolgen te voorkomen bestaan meerdere mogelijkheden die nu worden onderzocht. Duidelijk is dat – ongeacht de uitkomst – een dergelijke maatregel impact heeft op de processen van de Belastingdienst en die van werkgevers die rentekorting geven op personeelsleningen. Aan de precieze vormgeving wordt op dit moment – in overleg met de sector – gewerkt. De aanpassing van de fiscale behandeling van de rentekorting op personeelsleningen wordt daarom niet geregeld in het Belastingplan 2015, maar zal worden opgenomen in de Fiscale verzamelwet 2015 die in het voorjaar bij uw Kamer zal worden ingediend. De heer Van Dijck vraagt voorts of de budgettaire opbrengst van het belasten van dat voordeel ingezet kan worden voor verhoging van de vrije ruimte. De opbrengst van het belasten van het rentevoordeel in de loonbelasting is beperkt tot het beschreven tariefsverschil, dat in 2014 0,5%-punt bedraagt en in 2015 1,0%-punt. Deze maatregel biedt daarmee weinig budgettaire ruimte voor verhoging van de vrije ruimte.
Box 3 / vermogensverdeling
De heer Bashir vraagt te reageren op het voorstel van de “miljonairsbelasting”, een opslag in box 3 voor belastingplichtigen met een vermogen van meer dan € 1 miljoen, van per saldo 0,7% van de box 3-grondslag. In het kader van de stelselherziening gaat het kabinet alternatieven onderzoeken voor de huidige vermogensrendementsheffing, met als doel hierover een nadere afweging te maken. Doel is te komen tot een heffing die door belastingbetalers als rechtvaardiger wordt ervaren en die tegelijkertijd goed uitvoerbaar is. Daartoe kan bijvoorbeeld het werkelijk genoten rendement op vermogen in de heffing als uitgangspunt worden genomen, maar ook binnen de forfaitaire benadering wordt gezocht naar vormen die beter aansluiten bij het rechtvaardigheidsgevoel. Ik vind het wenselijk om die onderzoeken af te wachten zodat daarover het gesprek met uw Kamer kan worden gevoerd.
De heer Bashir vraagt of ik met hem van mening ben dat een goed zicht op vermogens ontbreekt en of ik bereid ben na te denken over een vermogensregister. De Belastingdienst is terughoudend bij het uitvragen van gegevens, en vraagt in het algemeen alleen de gegevens uit die van belang zijn voor de belastingheffing, dit ook met het oog op het minimaliseren van administratieve lasten. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceert over het totale vermogen van alle Nederlanders, dus de informatie is wel degelijk voorhanden. Het invoeren van een vermogensregister acht ik dan ook niet zinvol."
Woningmarkt
De heer Van Dijck vraagt of de maatregelen in het Belastingplan 2015 op het terrein van de woningmarkt bijdragen aan de doorstroming op de woningmarkt. De bedoelde maatregelen dragen positief bij aan de woningmarkt. De verlenging van de aftrektermijn voor restschulden verbetert de financierbaarheid van deze schulden waardoor de doorstroming zal verbeteren. Het permanent maken van de tijdelijke en verruimde regelingen rond verhuizing sluit aan bij de aanhoudende regionale verschillen in verkooptijd en zorgt ervoor dat mensen fiscaal voldoende ruimte hebben om van de ene naar de andere woning te kunnen gaan. Door de toepassing van het verlaagde btw-tarief op arbeidskosten voor renovatie en herstel van woningen te verlengen tot 1 juli 2015 worden de bouwsector en de woningmarkt nog een half jaar extra gestimuleerd.
De heer Omtzigt vraagt of ik bereid ben om de tijdelijke regeling voor aftrek van rente op restschulden ook toegankelijk te maken voor restschulden die zijn ontstaan voor 29 oktober 2012. De tijdelijke regeling voor renteaftrek op restschulden heeft als doel het bevorderen van de doorstroming op de woningmarkt. Het kabinet is niet voornemens om de periode van het ontstaan van de restschulden verder op te rekken door ook restschulden die voor 29 oktober 2012 zijn ontstaan mee te nemen. Het nu alsnog onderbrengen van dergelijke schulden binnen de restschuldregeling zou leiden tot een financieel voordeel achteraf voor de belastingplichtige, zonder dat dit de beoogde doorstroming op de woningmarkt zou bevorderen. Bij vervreemding van een eigen woning in die voorafgaande periode ging men immers uit van het standaardregime dat de rente over de potentiële restschuld niet aftrekbaar is, maar de schuld wel in mindering kan worden gebracht op de rendementsgrondslag van box 3. Die regeling is geen belemmering geweest om de woning met potentiële restschuld op dat moment te vervreemden.
Eigenwoningforfait
Mevrouw Neppérus vraagt wanneer meer informatie volgt over de indexering van het eigenwoningforfaitpercentage (EWF-percentage). In bijlage 3 bij de laatste toezeggingenbrief heb ik aangegeven dat ik uw Kamer, mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst, jaarlijks begin november zal informeren over de indexering van het EWF-percentage, dit nadat ik eind oktober de daarvoor benodigde gegevens over de ontwikkeling van de gemiddelde woningwaarden heb ontvangen van de Waarderingskamer. Daarbij zou ik uw Kamer ook informeren over de bijstelling van de arbeidskorting, dit op basis van de bekendmaking in oktober van het wettelijk minimumloon (WML) per 1 januari van het daaropvolgende jaar. Ik maak voor beide punten graag gebruik van deze gelegenheid.
Het EWF-percentage komt in het belastingjaar 2015 uit op 0,75% als gevolg van de wettelijke indexering. De wettelijke indexering van het EWF-percentage vindt plaats aan de hand van de ontwikkeling van het indexcijfer van de woninghuren en de ontwikkeling van de woningwaarden. Vervolgens is het EWF-percentage naar beneden afgerond op 0,05%-punt. Het indexcijfer van de woninghuren is met 4,4% gestegen. Met het benoemen van het indexcijfer van de woninghuren geef ik eveneens invulling aan de toezegging van de Minister voor Wonen en Rijksdienst om de ontwikkeling van dit cijfer mede te delen aan uw Kamer. De woningwaarden zijn met 2,8% gedaald. Beide ontwikkelingen hebben een opwaarts effect op het EWF-percentage. De koppeling van de EWF-percentages aan de woningwaarden zorgt er slechts voor dat de EWF-opbrengst stabiel wordt gehouden ten opzichte van de woningwaardeontwikkeling en heeft dus geen opwaarts effect op het EWF. Als de woningwaarde daalt, krimpt immers ook de WOZ-waardegrondslag waarop het EWF-percentage wordt toegepast. Daarmee heeft alleen de stijging van de huurwaarde invloed op de lasten in het kader van het EWF. Dit sluit aan bij het idee dat het EWF een forfaitaire benadering is van de huurinkomsten die de belastingplichtige zou kunnen behalen indien de desbetreffende woning zou worden verhuurd. De extra lasten door het gewijzigde EWF-percentage in 2015 worden geraamd op circa € 1 per maand per € 100.000 WOZ-waarde.
Download hier volledige vragen en antwoorden overzicht
Concept artikel 17bis Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99