Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Pensioenen; solidariteit en keuzevrijheid die op 26 augustus verschijnt. In deze verkennende studie, uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, beschrijft onderzoeker dr. Stella Hoff de opvattingen van werkenden over solidariteit en andere aspecten van de aanvullende pensioenen. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens van eind 2014.
Werkenden willen vooral zekerheid over hun toekomstige pensioen
Door de vergrijzing en de laatste, langdurige economische crisis is de financiële positie van veel pensioenfondsen sterk verslechterd. De zekerheid van het ouderdomspensioen bleek opeens niet meer zo vanzelfsprekend te zijn. De werkenden die aan het onderzoek hebben deelgenomen, zijn zich goed bewust van deze ontwikkelingen en hechten veel belang aan de financiële draagkracht van pensioenfondsen. Indien zij zelf een fonds zouden kunnen kiezen, zouden ze vooral letten op aanwijzingen hoe dat fonds er op dat moment voor staat en hoe groot de kans is dat de situatie in de toekomst zou verslechteren. Zo zou 90% van de respondenten kijken naar de dekkingsgraad en meer dan 80% letten op de beleggingsrisico’s en de recente beleggingsresultaten. Bovendien zou ruim de helft van de respondenten ervoor kiezen uit hun pensioenfonds te stappen als dat er slecht voor stond. Verder blijkt dat, voor zover het de respondenten uitmaakt met wie zij in een pensioenfonds zitten, dit voornamelijk voortkomt vanuit de gedachte dat het fonds zoveel mogelijk mensen moet vertegenwoordigen. Ook dit wijst op de wens tot een draagkrachtig pensioenfonds dat goed voor hun ingelegde pensioenpremies zorgt.
Solidariteit ondergeschikt aan zekerheid
Wanneer we in het algemeen vragen hoeveel belang men hecht aan solidariteit in de pensioenen, geeft een meerderheid van de ondervraagde werknemers (63%) aan dat zij dit belangrijk of zeer belangrijk vinden. Gesteld voor de keuze tussen solidariteit en de mogelijkheid om zelf een pensioenfonds te kiezen, heeft echter bijna de helft een voorkeur voor dit laatste. Dat men dan ook kan besluiten om uit het fonds te stappen wanneer dat er slecht voor staat, lijkt daarbij doorslaggevend te zijn. Opnieuw is dit een indicatie dat de behoefte aan zekerheid omtrent het toekomstige pensioen veel gewicht in de schaal legt, en kennelijk meer dan de aanwezigheid van solidariteit.
Gewenste keuzemogelijkheden
Een meerderheid van de ondervraagde werkenden (tot ca. 70%) vindt het belangrijk de vrijheid te hebben om bepaalde aspecten van hun pensioen zelf te bepalen. Het meest genoemd hierbij zijn de mate waarin sprake is van risicovolle beleggingen, en de mogelijkheid om te sparen voor een vervroegd pensioen. Tegelijkertijd vindt een meerderheid (eveneens tot 70%) het toch ook belangrijk dat diezelfde aspecten automatisch geregeld zijn. Men wil wel keuzevrijheid hebben, maar die niet per se gebruiken. Een belangrijke uitzondering hierop vormt de optie om te sparen voor vervroegd pensioen: bijna twee derde van de onderzoekdeelnemers zegt dat ze hier zelf gebruik van zouden maken. Keuzemogelijkheden die relatief risicovol zijn, zoals beleggen met meer risico of het voortijdig opnemen van het opgespaarde pensioengeld, zijn aanmerkelijk minder populair: slechts rond 15% zou hier naar eigen zeggen gebruik van maken.
Herverdeling tussen groepen geen probleem, zolang het maar rechtvaardig is
Binnen een pensioenfonds dragen alle deelnemers hetzelfde percentage van hun loon af aan premie en bouwen daarmee jaarlijks eenzelfde percentage aan pensioen op. Als gevolg hiervan vindt er herverdeling ofwel subsidiërende solidariteit plaats: bepaalde groepen dragen bij aan het pensioen van andere. Veel respondenten staan hier neutraal of positief tegenover; zij vinden het bijvoorbeeld geen probleem dat mensen die zeer oud worden langduriger profiteren van een pensioen waar zij evenveel premie voor hebben betaald als degenen die kort na hun pensionering overlijden. Ook vindt ruim de helft het een goede zaak dat gezonde mensen meebetalen aan de pensioenopbouw van mensen die arbeidsongeschikt zijn. Dit verandert wanneer men de subsidiëring als onrechtvaardig ervaart, zoals in het geval dat minder kansrijke groepen (bv. met een lage opleiding, wat gerelateerd is aan een lagere levensverwachting) meebetalen aan het pensioen van mensen ‘die het toch al goed hebben’.
Voorkeur voor collectieve pensioenregelingen
Indien men zou kunnen kiezen tussen een collectieve dan wel een individuele pensioenregeling of een combinatie hiervan, geeft bijna 40% van de werkenden de voorkeur aan collectiviteit. Bijna 20% kiest voor de individuele regeling, terwijl iets meer dan 30% opteert voor een combinatie tussen de twee typen regelingen. Degenen in de leeftijd van 35-64 jaar spreken zich vaker uit voor collectiviteit, net zoals de respondenten met een inkomen tot 1,5 keer modaal en degenen die verwachten dat hun deelname aan het pensioenfonds financieel gunstig zal uitpakken. De behoefte aan individualiteit binnen de pensioenen treffen we vooral aan bij de jongste leeftijdsgroep en degenen met een hoog inkomen. Ook werkenden die denken dat de uitkomst van hun deelname aan een pensioenfonds in financieel opzicht ongunstig zal zijn of die vinden dat ze te weinig invloed hebben op hun pensioen, zijn vaak voorstander van individuele regelingen.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99