Aan werknemer (A) is op 1 januari 2012 een stamrecht ter vervanging van gederfd of te derven loon toegekend. Het stamrecht voorziet in een op 1 januari 2012 direct ingaande, tijdelijke periodieke uitkering welke afhankelijk is van het leven van A en van het leven van zijn partner B. Deze afhankelijkheid van twee levens pleegt op twee manieren in de stamrechtovereenkomst te zijn geregeld:
Van een periodieke uitkering is pas sprake wanneer alle afzonderlijke termijnen afhankelijk zijn van een onzekere gebeurtenis. In het voorbeeld is de sterftekans de onzekere gebeurtenis; voorwaarde is dan wel dat sprake is van een sterftekans van minimaal 0,94%. Wanneer de sterftekans kleiner is, is geen sprake meer van een onzekere gebeurtenis.
Hoe moet in beide hiervoor genoemde voorbeelden de sterftekans worden bepaald?
In beide gevallen bestaat het toegekende loonstamrecht uit twee periodieke uitkeringen. Eén die toekomt aan A en één die toekomt aan B. Beide periodieke uitkeringen moeten afhankelijk zijn van een sterftekans van minimaal 0,94%. De sterftekans dient voor beide periodieke uitkeringen te worden bepaald over de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2022, uitgaande van de meest recente overlevingstafels. Dat de periodieke uitkering die toekomt aan de partner pas ingaat bij het overlijden van A kan voor de bepaling van de sterftekans buiten beschouwing blijven. |
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99