2.3.4.
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat “de enige wettelijke eis aan de aftrekbaarheid van betaalde erfpachtcanons is dat het gaat om periodieke betalingen op grond van het recht van erfpacht met betrekking tot de eigen woning”.
Dit betoog moet kennelijk aldus worden verstaan dat voor aftrekbaarheid van de erfpachtcanon geen andere eis kan worden gesteld dan dat de betalingsverplichting bij het vestigen van het zakelijke recht is overeengekomen. Dit betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft onderzocht of een direct verband bestaat tussen de erfpachtcanon die belanghebbende bij zijn aangifte heeft vermeld en de aankoop (dan wel het onderhoud of de verbetering) van een eigen woning. Hiermee heeft het Hof terecht tot uitdrukking gebracht dat de erfpachtcanon zozeer dient samen te hangen met het behouden en kunnen blijven gebruiken van de eigen woning, dat gelijkstelling met de rente met betrekking tot aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning gerechtvaardigd is.
Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Eerdere uitspraak Hof
"Het hof oordeelt vervolgens dat belanghebbendes situatie vergeleken kan worden met die van de eigenaar van een eigen woning die (enige) jaren na aankoop de hypothecaire lening verhoogt, en dat – nu deze verhoging niet ziet op financiering, onderhoud, uitbreiding of verbetering van de eigen woning, maar een schenking is ten gunste van de kinderen – de canon niet kwalificeert als canon als bedoeld in artikel 3.120(1)(b) Wet IB 2001 en daarom niet aftrekbaar is."
Transactie
Belanghebbende heeft met de transactie de meerwaarde op de grond gerealiseerd. Het vrijgekomen vermogen is niet besteed aan onderhoud, uitbreiding of verbetering van de woning, maar aan een schenking aan de kinderen. In een dergelijk geval kan de canon economisch niet met rente ter financiering van onderhoud of verbetering van de woning worden gelijkgesteld.
Uitspraken
- Hoge Raad
- Parket
- Hof
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99