Download: "Besluit" (pdf, 59 pagina's)
Overgangsrecht
Aan een deel van de bepalingen die op grond van deze algemene maatregel van bestuur worden opgenomen in het BGfo is eerbiedigende werking toegekend ten aanzien van overeenkomsten inzake hypothecair krediet die vóór inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn aangegaan. Ook overeenkomsten die onder een voorbehoud vóór inwerkingtreding geldig zijn aangegaan vallen hieronder. Dit zijn normen die onder andere zien op de informatieplicht bij rentewijzigingen en de waarschuwings-plicht bij hypothecaire krediet in een vreemde valuta. De overige bepalingen die op grond van dit besluit worden opgenomen in het BGfo hebben onmiddellijke werking. Dit betreft normen met betrekking tot een zorgvuldige behandeling van consumenten. Deze normen gelden niet alleen bij het afsluiten van een hypothecair krediet, maar ook doorlopend en dus ook voor hypothecaire kredieten die zijn afgesloten voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit. Voor dergelijke normen zou op grond van artikel 43 van de richtlijn overgangsrecht mogelijk zijn. Aangezien het echter normen betreft die ook van belang worden geacht voor consumenten met een reeds lopend hypothecair krediet en de normen voor aanbieders en bemiddelaars naar verwachting niet te belastend zijn, wordt ervoor gekozen deze normen ook onmiddellijk in werking te laten treden. Er wordt voor één bepaling overgangsrecht van een jaar opgenomen. Dit betreft de norm die ziet op de bewaarplicht van gebruikte indexen, aangezien het te belastend is voor marktpartijen om direct hun systemen en interne organisatie in te richten om aan deze verplichting te voldoen. Verder zullen voor overeenkomsten inzake hypothecair krediet die vóór inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn aangegaan en waarvan de hypotheek wordt aangewend om een woning te kopen die niet bestemd is voor eigen bewoning, maar bijvoorbeeld met als doel de woning als woonruimte aan een consument te verhuren, de nieuwe regels, voor zover relevant, in hun geheel eerbiedigende werking hebben. De achtergrond hiervan is dat, wanneer sprake zou zijn van onmiddellijke werking, de nalevingskosten voor aanbieders onevenredig hoog zouden zijn omdat de systemen momenteel niet dusdanig zijn ingericht dat dit type overeenkomst geïdentificeerd kan worden.
Jaarlijks kostenpercentage
Het jaarlijkskostenpercentage Met de implementatie van de richtlijn wordt de definitie van het jaarlijks kostenpercentage voor overeenkomsten inzake hypothecair krediet gewijzigd. Het jaarlijks kostenpercentage geeft de verhouding weer tussen de totale kosten van het krediet en het totale door de consument opgenomen krediet. Uit de consultatiereacties is gebleken dat het onduidelijk is welke kosten in deze berekening moeten worden meege-nomen. Specifiek is gevraagd of de kosten voor de overlijdensrisicoverzekering eronder vallen wanneer de consument voor een hogere dekking kiest, dan verplicht wordt gesteld door de aanbieder. Ook bleek er onduidelijkheid te zijn of de kosten voor het aanhouden van een bankre-kening en de kosten voor advies en distributie meegenomen moeten worden in de berekening. De richtlijn schrijft voor dat de totale kosten van het krediet meegenomen moeten worden in de berekening van het jaarlijkskostenpercentage. De totale kosten van krediet zijn alle kosten die de consument verplicht moet maken om het krediet af te kunnen sluiten. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten voor het deel van de overlijdens-risicoverzekering dat de aanbieder verplicht stelt en de kosten voor het afnemen van een verplichte betaalrekening. Ook advieskosten dienen meegenomen te worden indien de consument het krediet niet kan verkrijgen zonder ook advies af te nemen. Verder dienen distributiekosten meegenomen te worden indien de consument via een distributiekanaal de hypotheek afneemt en hiervoor kosten moet maken.
Definitie
De definitie van «jaarlijks kostenpercentage» komt te luiden: jaarlijks kostenpercentage: totale kosten van een krediet voor de consument, bij een consumptief krediet uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag
Duurzame drager
Op grond van artikel 63a moet een advies inzake hypothecair krediet op papier of op een andere duurzame drager worden verstrekt aan de betrokken consument. Op dit moment moet de financiëledienstverlener al het advies toelichten op grond van artikel 4:23, eerste lid, onderdeel c, van de Wft en vervolgens bewaren op grond van artikel 32a van het BGfo. De verwachting is dat in de praktijk het advies doorgaans al op papier of een duurzame drager aan de consument verstrekt zal worden, de verwachte wijziging voor de praktijk is daarom beperkt. Voor het advies betaalt de consument aan de adviseur. Op grond van artikel 8 van de richtlijn hoeft de consument niet te betalen voor de informatie die op grond van de richtlijn wordt verstrekt. Voor het op papier of duurzame drager verstrekken van het advies worden derhalve geen kosten in rekening gebracht, terwijl wel kosten voor het advies zelf in rekening gebracht kunnen worden.
Duurzame drager
Artikel 63a. Een financiëledienstverlener die een consument adviseert inzake hypothecair krediet, verstrekt het advies op papier of op een andere duurzame drager aan die consument.
Vervroegd aflossen
Het is de aanbieder van hypothecair krediet toegestaan voor vervroegde aflossingen die boven de genoemde 10% per jaar uitgaan een vergoeding te vragen. Op grond van het tweede lid van artikel 81c van het BGfo mag die vergoeding echter niet hoger zijn dan het financiële nadeel dat de aanbieder heeft door de vervroegde aflossing. De vergoeding mag dan ook geen (verkapte) boete voor de consument inhouden en kan alleen betrekking hebben op de kosten van de kredietgever die rechtstreeks voortvloeien uit de vervroegde aflossing. De kosten kunnen bijvoorbeeld bestaan uit gemaakte kosten ter finan-ciering van het uitgeleende bedrag aan de consument. Dit betekent bijvoorbeeld dat alleen reëel rentenadeel in rekening mag worden gebracht. Als een consument vervroegd wil aflossen, neemt hij contact op met zijn aanbieder. De aanbieder geeft dan aan welke vergoeding in rekening zal worden gebracht bij de vervroegde aflossing van de kredietovereen-komst. De berekening van deze vergoeding (die niet hoger is dan het nadeel van de aanbieder) en de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening, moet eveneens aan de consument worden meegedeeld, zodat de berekeningswijze voldoende transparant is. In de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheden over dergelijke berekeningen kunnen voorkomen.5 Derhalve is in het vierde lid van artikel 81c bepaald dat de AFM nadere regels kan stellen met betrekking tot de berekening van de vergoeding bij vervroegde aflossing. Hierbij is van belang dat de berekening van de vergoeding transparant, eerlijk en een weergave van het werkelijk geleden nadeel is.
Wetsartikel Artikel 81c
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99