Belanghebbende bezit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 Wet IB 2001. In het jaar 2007 bedroeg de lening die belanghebbende was aangegaan ter verwerving van de eigen woning – de eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 – € 950.000. Belanghebbende heeft in 2007 de geldlening omgezet naar Zwitserse Francs (Zw. Fr.), omdat de rente over de geldlening in Zw. Fr. lager was dan in euro’s.
In 2010 heeft belanghebbende de geldlening weer omgezet in euro’s. De omvang van de geldlening nam door een koersstijging van de Zw. Fr. ten opzichte van de euro toe. Na omzetting bedroeg de hoogte van de geldlening € 1.077.678.
In geschil is of het door belanghebbende gerealiseerde koersverlies op een geldlening ter financiering van een eigen woning in aftrek kan komen als ‘kosten van geldleningen’ in de zin van artikel 3.120, lid 1, onder a Wet IB 2001.
De rechtbank heeft belanghebbende niet gevolgd in diens uitleg van artikel 3.120, lid 1, onder a Wet IB 2001, dat het koersverlies aftrekbaar is als kosten van geldleningen. De rechtbank oordeelde (onder verwijzing naar HR BNB 1982/175) dat tot kosten van geldleningen in de zin van artikel 3.120, lid 1, onder a Wet IB 2001 slechts de rechtstreeks aan het opnemen, verlengen of aflossen van een geldleningen verbonden kosten behoren. Voorts oordeelde de rechtbank dat het onderhavige koersverlies niet tot één van deze categorieën van kosten kon worden gerekend.
Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Belanghebbende betoogt in cassatie dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het koersverlies op de geldlening niet kwalificeert als kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, lid 1, onder a Wet IB 2001.
Volgens A-G Niessen blijkt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3.120 Wet IB 2001 dat onder kosten van geldleningen behalve de voldane rente worden verstaan taxatiekosten, afsluitprovisie en kosten van het opmaken van de hypotheekakte. Omdat deze posten bij wege van voorbeeld zijn genoemd, acht de A-G het niet uitgesloten dat ook andere posten als aftrekbare kosten kunnen gelden. Volgens hem biedt onderzoek naar de voorgangers van deze bepaling omtrent de uitleg van het begrip ‘kosten van geldleningen’ geen andere inzichten dan wat volgt uit de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001
Voorts wijst de A-G op het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 1982, BNB 1982/175, waarin is beslist dat voor aftrek alleen in aanmerking komen kosten die rechtstreeks samenhangen met het opnemen, verlengen of aflossen van de geldlening. In zijn arrest van 20 april 1977, BNB 1977/162 besliste de Hoge Raad dat valutaresultaten behaald op een geldlening welke door een vennootschap werd aangegaan ter financiering van een deelneming, niet voldoende verband houden met de deelneming om te kunnen worden aangemerkt als deelnemingsresultaat.
Ten aanzien van belanghebbendes stelling dat de hoogte van de rente, verschuldigd op een lening luidende in een ZW. Fr, verband houdt met het risico van waardestijgingen of -dalingen van die munt, merkt de A-G op dat – nog daargelaten of en in welke mate een dergelijk verband al bestaat – het valutaresultaat niet tot uitdrukking komt in de verhouding tussen de debiteur en de crediteur die immers in de desbetreffende valuta afrekenen.
Volgens A-G Niessen vloeit het valutaresultaat niet rechtstreeks voort uit de geldlening, maar uit een andere transactie. Dat resultaat komt tot uitdrukking op het moment waarop de omzetting tussen de vreemde valuta en de valuta waarin de koopprijs van de woning is verschuldigd, plaatsvindt.
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99