Met ingang van 1 januari 2010 is het aflossingssysteem studieschulden vernieuwd bij de Wet van 23 april 2009 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijke onderzoek in verband met de verhoging van het collegegeld en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden (Stb. 2009, 246), hierna te noemen de Wijzigingswet. Als gevolg van de Wijzigingswet is de oude debiteurenregeling van hoofdstuk 6 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) verplaatst naar het nieuw ingevoerde hoofdstuk 10A van die wet en is in hoofdstuk 6 van die wet een nieuwe debiteurenregeling opgenomen.
Ingevolge artikel 10a.1 van de Wsf 2000 is hoofdstuk 10a uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009-2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in artikel 10a.2.
Ingevolge artikel 10a.2, eerste lid, eerste volzin, van de Wsf 2000 kan een debiteur die voor het studiejaar 2009-2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, op aanvraag zijn schuld aflossen op grond van hoofdstuk 6.
Aangezien appellanten beiden vóór 1 januari 2012 zijn begonnen met het aflossen van hun studieschuld, voldoen zij niet aan de voorwaarden van artikel 10a.2 van de Wsf 2000. Zij kunnen daarom op grond van die bepaling niet kiezen voor het nieuwe aflossingssysteem. Niet in geschil is dat toepassing van draagkrachtregels van het nieuwe aflossingssysteem, dat is neergelegd in (het nieuwe) hoofdstuk 6 in het geval van appellanten leidt tot een aanzienlijk lagere draagkracht per maand.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99