- "Beantwoording vragen over initiatiefwetsvoorstel tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen" (pdf, 8 pagina's)
- "Initiatiefwetsvoorstel tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen" (pdf, 6 pagina's)
Een belastingvraag gaat over de gevolgen van artikel 1:95a BW in het initiatiefwetsvoorstel. Dit artikel bepaalt dat ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding komt als een echtgenoot een onderneming drijft als eenmanszaak dan wel in een personenvennootschap of een besloten vennootschap (BV), indien de onderneming buiten de gemeenschap valt.
Op de mede aan de regering gestelde vraag of die vergoeding bij de ondernemende echtgenoot aftrekbaar is van de winst (eenmanszaak of personenvennootschap) of van diens aanmerkelijkbelanginkomen (in geval van een BV) kan ik de genoemde leden antwoorden dat dit niet het geval is. De vergoeding speelt zich geheel af buiten de belastingheffing, dat wil zeggen dat die vergoeding bij de andere echtgenoot niet wordt belast.
In een samenlevingsovereenkomst kunnen partijen die niet zijn getrouwd afspraken maken over de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenleven. De samenlevingsovereenkomst kan in juridisch opzicht echter niet op een lijn worden gesteld met het huwelijk en de afspraken die in huwelijkse voorwaarden worden vastgelegd. Het samenlevingscontract kenmerkt zich door een grote mate van vrijblijvendheid waarbij de bepalingen van het algemene vermogensrecht van oepassing zijn. Wanneer samenwoners in het huwelijk treden, worden andere bepalingen, deels van dwingendrechtelijke aard, op de relatie van toepassing,
zoals de wederzijdse zorgplicht van artikel 1:81 BW en andere rechten en verplichtingen in titel 6 van Boek 1 BW. Afspraken in een samenlevingsovereenkomst kunnen om die reden niet automatisch doorwerken als partijen in het huwelijk treden en daarbij hun vermogensrechtelijke regime anders willen inrichten dan het wettelijke basisstelsel. Partijen zullen in dat geval huwelijkse voorwaarden moeten opmaken. Deze moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan en ten behoeve van de werking jegens derden worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.
De in een samenlevingsovereenkomst vastgelegde afspraken over de goederen die partijen tijdens het voorhuwelijkse samenwonen hebben verworven, kunnen na het sluiten van het huwelijk wel dienen als bewijs in geval tussen de echtgenoten een geschil ontstaat over aan wie een bepaald goed toekomt. In zoverre kan een samenlevingsovereenkomst wel doorwerken tijdens een later aangegaan huwelijk en hoeven partijen niet opnieuw naar de notaris om te laten vastleggen welke goederen aan wie van de echtgenoten in privé toebehoren.
De tbs-regeling is ingevoerd per 1 januari 2001 teneinde arbitrage in de kostensfeer tussen box 1 en 3 tegen te gaan indien bijvoorbeeld de ondernemende echtgenoot een pand huurt of geld leent van zijn partner. Zonder de tbs-regeling zou de ondernemer de huur als kosten op de winst in mindering kunnen brengen tegen het progressieve box 1-tarief, terwijl de huur bij de partner tegen het fictieve rendement in box 3 wordt belast. De tbs-regeling bewerkstelligt in dit voorbeeld dat de huur bij de partner in box 1 wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). Algemeen gezegd worden de voordelen uit de ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen belast als ROW indien deze vermogensbestanddelen ter beschikking zijn gesteld aan een met de belastingplichtige verbonden persoon die
deze vermogensbestanddelen gebruikt in zijn onderneming of ROW (artikel 3.91 Wet IB 2001). Dit geldt eveneens voor alle vermogensbestanddelen die de belastingplichtige of met hem verbonden personen ter beschikking stellen aan de vennootschap waarin de belastingplichtige of met hem verbonden personen een aanmerkelijk belang heeft (artikel 3.92 Wet IB 2001). [zie meer pagina 7/8 van pdf]
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99