Download: "Wob-verzoek" (pdf, 5 pagina's)
De Belastingdienst zal de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland daarom in hoger beroep aan het Gerechtshof voorleggen.
Rechtspraak: Rechtbank Noord Holland (30-12-2015)
"14. Artikel 3.110 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning (…) verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten.”
15. Ingevolge de artikelen 3.119a en 3.120 van de Wet IB 2001 zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van - voor zover hier van belang - renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning.
Artikel 3.123 van de Wet IB 2001 bepaalt dat schulden die zijn aangegaan tot verbetering of onderhoud van de eigen woning slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden zijn te staven.
16. In geschil is of de swapovereenkomst een economisch zelfstandige overeenkomst is, dan wel dat deze in combinatie met de hypothecaire leningen als één geheel moet worden gezien. Het laatste brengt, naar tussen partijen ook niet in geschil is, mee dat de rentebetalingen uit hoofde van de swapovereenkomst als aftrekbare kosten in de zin van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat er tussen de swapovereenkomst en de hypothecaire leningen een zodanige samenhang bestaat, dat zij in economische zin als één geheel moeten worden beschouwd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de swapovereenkomst en de hypothecaire leningen (nagenoeg) gelijktijdig zijn afgesloten, dat het nominale bedrag van de swapovereenkomst aanvankelijk gelijk was aan de bedragen van de hypothecaire leningen (€ 2.300.000) en dat het ook de bedoeling van beide contractspartijen – zowel van de [NAAM BANK 3] als van eiseres – was om de hypothecaire leningen met een variabele rente middels het swapcontract om te zetten in leningen met een vaste rente. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank ook in de stelling van eiseres dat de [NAAM BANK 3] aan niet-professionele klanten alleen een renteswap als de onderhavige verstrekt indien daaraan een lening is gekoppeld, zoals ook is weergegeven in de brief van de [NAAM BANK 3] van 5 juni 2013 gericht aan de heer [A] . Verweerder heeft dit beleid van de [NAAM BANK 3] onvoldoende weersproken.
Het enkele feit dat de renteswapovereenkomst (en bijbehorende documenten) en de hypothecaire leningen niet direct naar elkaar verwijzen doet aan het voorgaande, anders dan verweerder betoogt, niet af.
Dat de looptijd van beide overeenkomsten niet gelijk is – de hypothecaire leningen zijn afgesloten met een looptijd van 25 jaar en de renteswapovereenkomst met een looptijd van 10 jaar – kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Immers, ook bij een lening afgesloten voor 25 jaar is het mogelijk de rente voor een periode van 10 jaar vast te zetten.
Ook de omstandigheid dat een renteswapovereenkomst gedurende de looptijd van een lening afgesloten kan worden, maakt niet dat daarom sprake is van een losstaande overeenkomst, nu een afgesloten hypothecaire lening met een variabele rente eveneens gedurende de looptijd kan worden omgezet naar een lening met een vaste rente (en omgekeerd). Tot slot doet ook het feit dat na verkoop van de woning [ADRES 1] een nieuwe renteswapovereenkomst is gesloten, waarbij het nominale bedrag is verminderd tot € 1.052.000, niet af aan de onderlinge verbondenheid, zoals verweerder heeft gesteld. Weliswaar komt het nominale bedrag van de renteswapovereenkomst vanaf 17 december 2009 niet meer overeen met het totaalbedrag van de hypotheekschuld op dat moment, maar dat maakt, gelet op het voorgaande nog niet dat de overeenkomsten in economische zin niet meer als één geheel moeten worden beschouwd."
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99