Download: "Nota nav het verslag" (pdf, 28 pagina's)
De beperkte gemeenschap van goederen heeft echter meer gelijkenis met een finaal verrekenbeding, dan het aangehaalde periodieke verrekenbeding. Pas bij ontbinding van de gemeenschap hoeft er immers verrekend te worden; tot die tijd volstaan vergoedingsrechten. In tegenstelling tot het periodieke verrekenbeding geeft het finale verrekenbeding nauwelijks aanleiding tot geschillen.
Voor zover niet meer na te gaan is wat van wie is, bijvoorbeeld dankzij een slechte administratie, treedt het bewijsvermoeden in werking. Dan wordt het betreffende vermogen, goed of schuld geacht in de gemeenschap te vallen. Hierbij willen de initiatiefnemers drie nuanceringen plaatsen die de gevolgen verzachten van het niet goed bijhouden van een administratie. Allereerst zullen veel erfenissen, schenkingen, grote aankopen en schulden in registers, akten en andere documenten (digitaal) vastliggen. Ten tweede zullen veel gezinnen daarbuiten voor een groot deel aankopen doen die tot de gewone kosten van de huishouding behoren. Ten derde – voor goederen die buiten de huishouding vallen – geldt dat de initiatiefnemers het billijk achten dat met het verstrijken van de tijd vaker een beroep op het bewijsvermoeden gedaan zal moeten worden. Het langdurig gezamenlijk gebruik ervan rechtvaardigt dat.
Ook bij overlijden zien de initiatiefnemers geen problemen ten aanzien van de vaststelling van de vermogens. Bij de afwikkeling van de erfenis moet ook nu al een totaalbeeld van het vermogen van de overledene opgesteld worden.
De leden van de CDA-fractie constateerden dat uit onderzoek blijkt dat echtscheiding vaak tot armoede leidt, met name bij vrouwen. Zij vroegen de initiatiefnemers in te gaan op de stelling dat de bescherming van de financieel zwakkere partner binnen het huwelijk beter gewaarborgd is bij een algehele gemeenschap van goederen dan bij een beperkte gemeenschap van goederen.
De initiatiefnemers delen die opvatting niet. De armoede die na echtscheiding kan ontstaan heeft vooral te maken met het inkomen in de jaren na de echtscheiding. Voor zover het wel met het vermogen te maken heeft, kan een beperkte gemeenschap van goederen voor ten gevolge van het huwelijk niet economisch zelfstandige vrouwen zelfs beter uitpakken dan het huidige stelsel. Wat tijdens het huwelijk verkregen is, blijft immers gedeeld worden. Maar wat voorhuwelijks opgebouwd is, blijft privé. Nu jonge vrouwen tegenwoordig vaak hoger opgeleid zijn en sneller carrière maken dan jonge mannen, is er geen reden te veronderstellen dat het voorgenomen stelsel in de toekomst tot armoede bij vrouwen zou leiden. Het is overigens wel zo dat ten gevolge van de beperking van de gemeenschap van goederen een persoon die schulden verbergt voor zijn aanstaande, laatstegnoemde niet meer van rechtswege mede met deze schulden kan belasten. Alleen voor zover onder de financieel zwakkere partner de kwaadwillende met schulden belaste partner begrepen moet worden, onderschrijven de initiatiefnemers de stelling.
De initiatiefnemers hebben eerder in de behandeling van dit wetsvoorstel al aangegeven dat bij langdurige huwelijken er inderdaad een effect kan optreden dat ertoe leidt dat niet meer bewezen kan worden dat bepaald vermogen privé is. Dat zal niet het geval zijn voor grote vermogensbestanddelen als registergoederen of hypotheken, maar mogelijk wel voor kleinere uitgaven die niet onder de gewone kosten van de huishouding vallen. Als deze niet geadministreerd worden en verdere gegevens ontbreken, komt er een moment dat niet meer bewezen kan worden wat van wie is, en treedt het bewijsvermoeden in werking. Zij achten dit in de door de leden van de CDA-fractie geschetste situatie billijk. Het is echter ook mogelijk dat bepaalde gegevens in bankafschriften en (leverings-)bonnen wel degelijk terug te vinden zijn. Voor het bewaren en eventueel bijhouden van deze gegevens gelden geen bijzondere voorschriften en hoeven geen accountants of boekhouders ingeschakeld te worden. Er hoeven dus geen kosten gemaakt te worden.
De leden van de CDA-fractie stelden vervolgens verschillende vragen over de eigenwoningregeling in de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Zo vroegen zij zich af of er een recht op hypotheekrenteaftrek bestaat als de ene echtgenoot een lening afsluit voor de financiering van de woning van de andere echtgenoot. Dit speelt bijvoorbeeld in het geval waarin een ondernemer het huis niet op zijn naam wil hebben. Aansluitend werd de vraag gesteld of de echtgenoot die de schuld is aangegaan in een dergelijke situatie recht heeft op aftrek van rente.
Bij de beantwoording van deze vragen door de initiatiefnemers, waarvoor overigens het huidige of voorgestelde wettelijke huwelijksvermogensregime als zodanig geen rol speelt, gaan zij ervan uit dat de bedoelde woning een eigen woning in de zin van artikel 3.111 leden 1 en 2 Wet IB 2001 is. Verder is van belang dat de echtgenoten fiscale partners van elkaar zijn ingevolge artikel 5a Algemene wet inzake rijksbelasting en artikel 1.2 Wet op de inkomstenbelasting 2001. Is daarvan sprake, dan kan de bedoelde echtgenoot een eigenwoningschuld aangaan als bedoeld in artikel 3.119a Wet op de inkomstenbelasting 2001 en heeft hij, mits aan alle overige voorwaarden is voldaan, recht op hypotheekrenteaftrek. Kortom, het is voor dit vraagstuk irrelevant wie tijdens het huwelijk eigenaar van de woning is. Voorts worden de belastbare inkomsten uit eigen woning, waaronder de bedoelde hypotheekrente kan zijn begrepen, in artikel 2.17 Wet op de inkomstenbelasting 2001 als een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel van fiscale partners aangemerkt. Dit betekent dat deze inkomsten, en dus ook de bedoelde rente, naar believen kunnen worden toegerekend aan de ene of de andere partner, zodat beiden voor een gedeelte of een van hen voor het geheel de betaalde rente in aftrek kan brengen. Voor de in artikel 2.17 Wet op de inkomstenbelasting 2001 genoemde gemeenschappelijke inkomensbestanddelen is het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten irrelevant omdat zij vrij zijn in de toerekening van die bestanddelen.
De hier aan het woord zijnde leden geven vervolgens het volgende voorbeeld, en vragen naar een mogelijke toename van problemen in de praktijk: Echtgenoot A is eigenaar van een woning die € 750.000 waard is. Echtgenoot B heeft een vergoedingsvordering op A van € 300.000. A en B verkeren in echtscheiding. De woning wordt verkocht voor € 750.000 en A lost zijn vergoedingsschuld van € 300.000 aan B af. Hoe groot zijn de eigen woningreserves van A en van B?
Vooreerst moet worden opgemerkt dat de vraag onvoldoende feiten bevat om een volledige en sluitende beantwoording mogelijk te maken. Zo is niet duidelijk of de woning tot de huwelijksgemeenschap of tot het eigen vermogen van echtgenoot A behoort. Ook is niet duidelijk of er reeds een eigenwoningreserve is en/of wat de koopprijs van de woning was en op welke wijze deze is gefinancierd. De initiatiefnemers nemen daarom aan dat de aan het woord zijnde leden met het verschil tussen het huidige en voorgestelde huwelijksvermogensrechtelijke basisstelsel op de eigendom van de woning doelen, die kennelijk thans tot de huwelijksgemeenschap behoort en op grond van het wetsvoorstel tot het eigen vermogen van echtgenoot A zal behoren. Voor wat betreft de financiering door echtgenoot B zal het daarvoor gebruikte geld zowel onder het huidige als het voorgestelde huwelijksvermogensrecht tot diens eigen vermogen behoren, wil van een vergoedingsvordering (artikel 87) sprake kunnen zijn.
Het antwoord op de vraag is onder het huidige en het voorgestelde wettelijke huwelijksvermogensregime identiek. Voor wat betreft de eigenwoningreserve van A is van belang om vast te stellen dat de schuld aan B als een eigenwoningschuld kan worden aangemerkt, omdat deze schuld verband houdt met de eigen woning van A. Indien deze schuld ná 2013 is ontstaan, dan dient aan de zogenoemde aflossingseis (artikel 3.119a lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 2001) te worden voldaan. Indien de schuld daaraan niet voldoet, en daarvan is bij een dergelijke vergoedingsvordering in beginsel sprake omdat deze tijdens het huwelijk niet zal worden afgelost, dan «verhoogt» deze schuld de eigenwoningsreserve van A. In dit geval wordt de eigenwoningsreserve van A derhalve € 750.000. B heeft geen (fiscaal) belang bij de woning van A verkregen. B zal na aflossing van die schuld geen eigenwoningreserve hebben.
Zie download onder voor extra rekenvoorbeelden.
Bron: Eerste Kamer
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99