De overeengekomen koopsom van € 285.000 is door de kinderen schuldig gebleven (hierna: de schuld). In de schriftelijk vastlegging van de bekentenis van de schuld is onder meer bepaald dat de kinderen 5% rente verschuldigd zijn en dat de schuld in één termijn op 31 december 2017 dient te worden afgelost.
Belanghebbende heeft de schuld van de kinderen kwijtgescholden, in 2007, 2008 en 2009 in drie gelijke delen van € 47.500 per kind. In verband hiermee is recht van schenking geheven.
In verband met de overeengekomen erfpachtcanon heeft belanghebbende in 2010 aan de kinderen een bedrag van € 16.750 voldaan. In de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2010 heeft belanghebbende het als erfpachtcanon betaalde bedrag in aftrek gebracht als een periodieke betaling als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001 (tekst 2010).
Bij de beoordeling van het onderhavige geschil wordt voorop gesteld dat belanghebbende reeds jaren volledige eigenaresse is van de onroerende zaak en dat zij als zodanig geen erfpachtcanon verschuldigd was. Als gevolg van de op [datum] 2007 uitgevoerde transacties is de grond in eigendom overgegaan naar de kinderen, heeft belanghebbende een recht van opstal en een recht van erfpacht verkregen en is zij ter zake van het recht van erfpacht jaarlijks een canon aan de kinderen verschuldigd. Voorts is van belang dat belanghebbende door middel van deze transacties - feitelijk - de meerwaarde van de grond heeft gerealiseerd en dat de hogere ‘actuele’ grondwaarde de grondslag voor de berekening van de canon vormt. Het met de vermelde transacties vrijgekomen vermogen heeft belanghebbende niet besteed aan het onderhoud of een uitbreiding of verbetering van de eigen woning, maar aan schenkingen ten gunste van de kinderen door middel van het kwijtschelden van de door de kinderen schuldig gebleven koopsom van de grond.
Gelet op de verklaring van belanghebbende over de overeenkomst tussen het geval van het arrest van 8 juli 2016, nr. 15/04315, ECLI:NL:HR:2016:1353, BNB 2016/203, en het onderhavige geval ziet het Hof geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat gegeven in dat arrest.
De belastingplichtige (huiseigenaar) wordt door het Hof in het ongelijk gesteld en de erfpacht is fiscaal niet aftrekbaar.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99