De rechtbank boog zich over de volgende vragen:
Gebeurtenissen na het aangaan van de leningsovereenkomst
[eiser] is na het verlijden van de hypotheekakte in afwachting van de bouwvergunning begonnen met sloopwerkzaamheden in de voormalige bedrijfsruimte van het pand, totdat de gemeente een bouwstop gelastte. [eiser] had inmiddels een architect in de hand genomen, die namens hem op 15 januari 2012 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de verbouwing heeft ingediend. Die vergunning is op 16 april 2012 door de gemeente verleend.
Tijdens de sloopwerkzaamheden zijn diverse gebreken aan het licht gekomen, die [eiser] niet had voorzien en ook niet in zijn begroting had opgenomen. Zo is [eiser] onder meer tot de ontdekking gekomen dat:
Daarnaast heeft [eiser] gedurende de verbouwing te maken gekregen met gezondheidsklachten. Zo heeft hij tijdens de bouwstop een behandeling ondergaan voor een nekhernia en is hij in november 2013 zes weken in de dagopvang verbleven van een kliniek voor geestelijke gezondheidszorg. Ook waren inmiddels relatieproblemen tussen [eiser] en [A] ontstaan.
Op 5 november 2014 is het huwelijk van [eiser] c.s. geëindigd echtscheiding. Het pand bevond zich op dat moment in casco staat en het bouwdepot van € 49.000 was volledig door [eiser] c.s. aangewend. Wel had [eiser] op dat moment al nieuwe (bouw)materialen aangeschaft (maar nog niet geïnstalleerd), zoals betegeling, radiatoren, toiletten, douchecabines, wastafels en een eilandkeuken inclusief apparatuur.
Bij brief van 1 oktober 2015 heeft Stichting WEW aan [eiser] medegedeeld dat het ontstane verlies niet aan [eiser] wordt kwijtgescholden, omdat naar het oordeel van Stichting WEW niet is voldaan aan de twee criteria voor kwijtschelding, te weten (1) het bestaan van goeder trouw ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening en (2) het verlenen van volledige medewerking aan het vermijden of beperken van het verlies.
Naar aanleiding van een heroverweging van de afwijzende kwijtscheldingsbeslissing bericht Stichting WEW dat zij terugkomt van haar eerdere standpunt dat niet aan het criterium te goeder trouw (1) is voldaan, maar dat zij bij haar standpunt blijft dat niet is voldaan aan het criterium van volledige medewerking (2) en dat het besluit om de restschuld niet kwijt te schelden daarom wordt gehandhaafd.
Beoordeeld moet worden of [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij aan dit criterium van volledige medewerking had voldaan en daarom voor kwijtschelding in aanmerking zou komen. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is, dat uit de formulering van de kwijtscheldingsvoorwaarden (“naar het oordeel van de stichting moet zijn gebleken”) volgt dat het in het concrete geval ter beoordeling van Stichting WEW is of de geldnemer in zijn volledige medewerking heeft verleend. Stichting WEW heeft op dat onderdeel volgens haar eigen voorwaarden dus een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid. Dat betekent dat [eiser] er op basis van de tekst van de aan hem gepresenteerde kwijtscheldingsregeling rekening mee heeft moeten houden dat het aan Stichting WEW is overgelaten om, met inachtneming van de tussen de borg en de schuldenaar geldende eisen van redelijkheid en billijkheid, in te vullen onder welke omstandigheden het criterium van volledige medewerking is vervuld en of aan de geldnemer kwijtschelding zal worden verleend.
In het geval van [eiser] betekent dit dat hij een inspanningsverplichting had om de geplande verbouwing van de woning tijdig af te ronden en daarmee de waardevermeerdering van de woning tot stand te brengen, waarvoor hij met het bouwdepot extra geld van de Bank had geleend. Die inspanningsverplichting had [eiser] te meer, aangezien hij zich ook in de hypotheekakte tegenover de Bank ertoe had verbonden om de verbouwing uiterlijk op 1 juli 2012 te hebben afgerond.
De rechtbank stelt de (ex)huiseigenaar in het ongelijk.
Lees hier de volledige uitspraak
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99