Verzekeringnemer was de (enig) eigenaar van de woning (vanaf 2005 tot de veiling van de woning in het najaar van 2016). Ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst bewoonde [eiseres] de woning samen met haar toenmalige echtgenoot (hierna: de ex-echtgenoot). Verzekeringnemer heeft de woning verlaten in november 2011 (althans kort daarna). De ex-echtgenoot is in eerste instantie in de woning blijven wonen en heeft deze verlaten per 1 september 2014.
Verzekeringnemer heeft de woning daarna (september/oktober 2014) ter beschikking gesteld aan de heer [X] (hierna: [X] ). [X] was voornemens de woning van verzekeringnemer te kopen, was bezig daartoe een hypotheek te verkrijgen en kreeg van verzekeringnemer toestemming om tussentijds te beginnen met het aanpassen van de woning naar zijn smaak. In dat kader verbleef [X] één tot enkele dagen per week in de (overigens nagenoeg lege) woning en heeft enkele werkzaamheden verricht, namelijk (in ieder geval) het verplaatsen van het keukenblok naar een andere ruimte in de woning. [X] heeft de woning uiteindelijk niet gekocht.
In de periode dat zowel verzekeringnemer als haar ex-echtgenoot de woning hadden verlaten en dat deze ter beschikking was gesteld aan [X] is daarin door de politie een xtc- laboratorium ontdekt. Bij de inrichting en het gebruik daarvan is schade ontstaan aan kozijnen, muren, plafonds en vloeren van de woning, waaronder schade aan de marmeren vloer door olie en chemicaliën.
Artikel 4 van deze set geeft regels over de informatieplicht van de verzekerde.
Artikel 4.3 luidt: “Bij het bouwen of verbouwen vergoeden wij minder”.
Artikel 4.3.1 luidt:
“In de volgende situaties vergoeden we alleen schade door brand, blussen van brand, ontploffing, blikseminslag, luchtverkeer en storm.
* Als u niet meer in de woning woont.
* Als de woning leegstaat omdat u het gaat verbouwen.
* Als de woning wordt gebouwd of verbouwd.
* Als u de woning na de bouw of verbouwing nog niet gebruikt zoals staat op uw polis.”
Het geschil ziet naar het oordeel van de rechtbank op de uitleg van de primaire omschrijving van de dekking in een verzekeringsovereenkomst waarover niet is onderhandeld. Het gaat hier om de uitleg van polisvoorwaarden, die deel uitmaken van een polis van een via internet tot stand gekomen verzekeringsovereenkomst, waarover niet tussen partijen is onderhandeld. Uitgangspunt is dat de uitleg van de bepalingen van de verzekeringsovereenkomst geschiedt op basis van de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Het komt daarbij aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Nu over de polisvoorwaarden niet tussen partijen is onderhandeld, is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Verder is van belang dat in de polisvoorwaarden in geschil de primaire dekkingsomschrijving is gegeven, waarbij als uitgangspunt geldt, dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. De dekking bepaalt immers de omvang van het risico dat de verzekeraar loopt en dat risico is een bepalende factor bij de premiestelling.
De rechtbank is van oordeel dat de bewoordingen in geschil niet anders kunnen worden begrepen dan dat dekking wordt verleend voor schade aan een woning, die daadwerkelijk door de verzekeringnemer wordt bewoond.
Artikel 5.1 van set II (opstal) zegt immers met zoveel woorden dat schade is verzekerd aan “uw woning” welke term nader is aangeduid in artikel 1 van set II, dat in dit verband spreekt van “het gebouw op uw woonadres”. Ook de bewoordingen in artikel 4.3.1 van dezelfde set II zijn duidelijk: de daar gegeven beperking in de dekking is (onder de eerste bullet) gekoppeld aan de situatie “als u niet meer in de woning woont”.
Ook artikel 5.1 van set III (inboedel) zegt uitdrukkelijk dat “U bent verzekerd voor schade aan de spullen in uw woning.”, wat nader is aangeduid in artikel 1 van set III waarin de woning is omschreven als “het huis (…) waarin u woont.”
Anders gezegd: de bewoordingen van de betrokken bepalingen zijn taalkundig duidelijk. Daar komt bij dat de achterliggende bedoeling van deze omschrijving van de dekking naar het oordeel van de rechtbank eveneens duidelijk is. Het is een feit van algemene bekendheid dat reguliere bewoning zorgt voor een substantieel hogere mate van toezicht dan onregelmatige (bijvoorbeeld tijdens een verbouwing) of geen bewoning en dat de mate van toezicht grote invloed heeft op het risico dat zich een schadeveroorzakend voorval voordoet, zoals bijvoorbeeld inbraak of vernieling. Dat dit verschil in risico gevolgen heeft voor de premie (dat wil zeggen: de prijs van de verzekering) is evident: hoe groter het risico, hoe hoger de premie. In dat verband kan worden gewezen op de overige bewoordingen van artikel 4.3.1 van set II waarin omstandigheden worden genoemd die van invloed zijn op de mate van toezicht (los van het feit dat daar ook omstandigheden worden genoemd die betrekking hebben op bouwwerkzaamheden die op zichzelf om andere redenen weer grotere risico’s met zich brengen).
Vorenstaande overwegingen in onderlinge samenhang bezien hebben de rechtbank tot het oordeel gebracht dat duidelijk is dat voor de voorliggende schade (niet zijnde schade als genoemd in artikel 4.3.1 van set II) geen dekking bestaat in geval van niet-bewoning van de verzekerde woning door de verzekeringnemer.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99