De overweging van de kantonrechter was:
De Pensioenovereenkomst is aan te merken als een verzekeringsovereenkomst in de zin van artikel 7:925 BW nu er sprake is van premiebetaling waartegenover het Pensioenfonds de verplichting op zich neemt om over te gaan tot uitkering wanneer het risico zich manifesteert. Verder is het samenstel van de artikelen 10 lid 3 en artikel 1 sub c van het Reglement aan te merken als een vervalbeding. Immers, krachtens deze bepalingen vervalt het recht van [geïntimeerde] op een nabestaanden- en partnerpensioen indien niet is voldaan aan de voorwaarden als gesteld bij deze artikelen. Het Pensioenfonds heeft onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat zij, doordat door [geïntimeerde] niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij artikel 10 lid 3 en artikel 1 sub c van het Reglement, in haar redelijke belangen is geschaad. Het enkel ontbreken van een notarieel verleden samenlevingscontract is onvoldoende om dat aan te nemen, nu er wél een notarieel concept samenlevingscontract voorlag, waar volledige overeenstemming over bestond. Het enkele feit dat door het overlijden van [X] het niet is gekomen tot ondertekening daarvan doet daaraan niet af. De al dan niet schriftelijke aanmelding van een partner is evenmin van belang laat staan doorslaggevend, nu een verzekeraar bij het verzekeren van een partnerpensioen en de premiestelling, waarbij het immers gaat om een ‘onbepaald partnersysteem’, geen rekening houdt met het werkelijk aanwezig zijn van een partner of niet. Het Pensioenfonds heeft er verder ook vanwege dit ‘onbepaald partnersysteem’ geen belang bij dat vooraf wordt gemeld wie de partner is, omdat eerst bij overlijden van de deelnemer, het bestaan en de identiteit van een eventuele partner relevant wordt. Het eventuele gegeven dat het honoreren van de claim van [geïntimeerde] nadelige gevolgen heeft voor het Pensioenfonds met het oog op de herverzekering, is inherent aan het door het Pensioenfonds daartoe gekozen systeem. Het Pensioenfonds is in de proceskosten veroordeeld.
Het pensioenfonds is in hoger beroep gegaan.
Het hof overweegt als volgt. Het al dan niet toekennen van een partnerpensioen heeft de nodige financiële gevolgen voor zowel het Pensioenfonds en haar aanspraak op de herverzekeraar als de (al dan niet rechthebbende) nabestaanden van de deelnemer. Tegen die achtergrond moet voor het Pensioenfonds boven elke twijfel verheven zijn wie in het geval van het overlijden van een deelnemer als een partner in de zin van het Reglement kan worden aangemerkt, zodat de in datzelfde Reglement besloten liggende eis van een notarieel vastgelegd samenlevingscontract alleszins een redelijk belang van het Pensioenfonds vertegenwoordigt. Het ontbreken van een dergelijk - getekend en notarieel vastgelegd - contract kan dan ook in zijn algemeenheid en in beginsel door het Pensioenfonds aan degene die stelt een aanspraak te hebben omdat hij of zij stelt (nabestaande) partner van een deelnemer te zijn, zonder meer worden tegengeworpen. Het kan immers vanwege voornoemd belang en het belang van de rechtszekerheid in redelijkheid niet van het Pensioenfonds worden gevergd dat het Pensioenfonds dergelijke aanspraken (telkens) nader feitelijk en inhoudelijk zou moeten gaan beoordelen zonder dat degene die een aanspraak meent te hebben een notarieel vastgelegd samenlevingscontract kan overleggen.
Het eerder betaalde partnerpensioen dient dan ook terug betaald te worden.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Redactie Fintool: Voor de adviespraktijk is het raadzaam samenwoners door te verwijzen naar de notaris en het pensioenfonds (voor zover van toepassing) door relatie op de hoogte te stellen van het samenwonen van relatie. Beter is om als de adviseur hier een vinger aan de pols te houden omtrent de voortgang van het opstellen van dit samenlevingscontract. Premiesplitsing en verblijvingsbeding zijn ook aandachtspunten in het te geven advies.
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99