Vaststaat dat inboedel vrijgesteld vermogen is in de zin van Hoofdstuk 5 Wet IB 2001 en dat de waarde daarvan ook niet meetelt bij de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet IB 2001. In het geval van eiseres is de inboedel verloren gegaan door een brand en heeft de inboedelverzekeraar een bedrag uitgekeerd waarmee eiseres deze kan vervangen. Het bedrag dat door de inboedelverzekeraar is uitgekeerd ziet dan ook op de waarde van de inboedel.
Het voorliggende geval van eiseres is daarmee naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar met de situatie beschreven in artikel 5.3 tweede lid, onder c van de Wet IB 2001. De rechtbank tekent daar nog bij aan dat van een feitelijke draagkrachtverbetering geen sprake is omdat de uitgekeerde vergoeding bedoeld is ter compensatie van het verloren gegane vermogen in de inboedel. Voorts leidt de door verweerde gehanteerde uitleg tot het ongerijmde gevolg dat er in de jaren voor en na de schade-uitkering (namelijk als die is aangewend om een nieuwe boedel aan te schaffen) wel aanspraak bestaat op huurtoeslag en alleen niet in het jaar waarin de schadevergoeding wordt uitgekeerd.
Dit alles overziende komt de rechtbank tot de conclusie dat de wetgever heeft gewild dat een schadevergoeding bedoeld voor een vermogensonderdeel dat al tot de uitzonderingen behoort in dat karakter van uitzondering deelt.
De belastinginspecteur had daarom de schade-uitkering buiten beschouwing dienen te laten op grond van artikel 47 van de Awir in samenhang met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99