Op de hypothecaire geldlening zijn de Algemene voorwaarden voor hypotheken van de Rabobankorganisatie 1992 (“de Algemene Voorwaarden”) van toepassing. Voor zover hier relevant staat in artikel 3 van de Algemene Voorwaarden het volgende:
Zonder schriftelijke toestemming van de bank is het de hypotheekgever verboden
a. het onderpand te verhuren, te verpachten, te vervrachten, of anderszins in gebruik af te staan of gebruik daarvan door derden te gedogen, vooruitbetaling van huur-, pacht- of vrachtpenningen te bedingen of te aanvaarden, het recht op huur-, pacht- of vrachtpenningen te vervreemden, te verpanden of anderszins te bezwaren.
De geldverstrekker verwijst naar de haar toekomende beleidsvrijheid en de door haar gehanteerde Algemene Voorwaarden om het verzoek tot verhuur op basis van de Leegstandswet af te wijzen.
Als uitgangspunt geldt dat de Bank in de Algemene Voorwaarden, die hiervoor in overweging geciteerd werden, heeft bepaald dat zij schriftelijke toestemming dient te verlenen voor verhuur. In bepaalde gevallen kan er echter sprake van zijn dat het weigeren van deze schriftelijke toestemming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)).
De Commissie oordeelt dat in het onderhavige geval het handelen van de Bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Van belang voor dat oordeel is dat de in overweging geciteerde bepaling uit de Algemene Voorwaarden haar rechtvaardiging heeft in de vergaande bescherming die het Burgerlijk Wetboek aan huurders toekent. Bij verhuur op basis van de Leegstandswet wordt die huurdersbescherming op vergaande wijze uitgehold. Het vergunningenstelsel dat door de Leegstandswet in het leven wordt geroepen, biedt de waarborg dat de woning te zijner tijd in onverhuurde staat kan worden verkocht. Naar het oordeel van de Commissie ontvalt daarmee ten dele het belang dat de Bank heeft bij haar bevoegdheid verhuur in dit geval te weigeren.
Daar tegenover staat het belang van de huiseigenaar om de verhuur van de woning toe te staan. Dit is gelegen onder meer in het zwaarwegende belang voor de huiseigenaar de restschuld en dubbele lasten zoveel mogelijk te voorkomen. De huiseigenaar heeft gemotiveerd gesteld dat met het toestaan van tijdelijke verhuur op basis van de Leegstandswet wordt tegemoetgekomen aan zijn beide belangen.
De Commissie concludeert dat de Bank de verhuur op basis van de Leegstandswet dient toe te staan voor tenminste de periode waarvoor Consument de vergunning verkregen heeft, namelijk tot 1 augustus 2021.
De Commissie acht de huiseigenaar ervoor verantwoordelijk duidelijk te maken in de huurovereenkomst dat sprake is van verhuur op basis van de Leegstandswet en dat de huurder geen aanspraak kan maken op de gebruikelijke huurbescherming.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99