Niet alleen is slechts een voornemen tot ontbinding kenbaar gemaakt aan verkoper, maar blijkens de gang van zaken kort daarna ging ook de koper niet uit van een al plaatsgevonden hebbende ontbinding.
In eerste instantie werd een beroep gedaan op het ontbinden van de koopovereenkomst. Zo werd o.a. geschreven: "Wij willen daarom gaan ontbinden." [e-mail van 13 december 2012]. Met de e-mail van 19 december 2012 zijn partijen een verlenging overeengekomen.
De vraag die centraal staat in het onderhavige geschil is of met de e-mail van 13 december 2012 een rechtsgeldig beroep is gedaan op de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst. De vraag hoe deze e-mail moet worden uitgelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer, zoals neergelegd in de art. 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de in de brief gebruikte bewoordingen, ook niet als uitgangspunt (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315).
Bij de beoordeling komt het gelet hierop aan op de zin die verkoper redelijkerwijs aan de e-mail van 13 december 2012 mocht hechten en op hetgeen hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze heeft mogen verwachten.
Naar het oordeel van het hof hoefde verkoper de e-mail van 13 december 2012 niet op te vatten als een beroep op de ontbindende voorwaarde door koper. Daartoe overweegt het hof als volgt. De zin “Wij willen daarom gaan ontbinden.” in die e-mail duidt slechts op een voornemen, maar niet op een daadwerkelijk besluit dat wordt ontbonden. Daaraan doet niet af dat de e-mail als onderwerp “ontbinden” vermeldt.
Door koper is echter nog een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid hetgeen het hof begrijpt – ook gelet op het in eerste aanleg gevoerde verweer – als een beroep op matiging als bedoeld in artikel 6:94 BW.
Een beroep op matiging is alleen aan de orde als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, waarbij niet alleen zal moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:AZ6638).
Het enkele feit dat, zoals door koper gesteld, reeds bij het sluiten van de overeenkomst duidelijk was dat de financiering van de woning erg lastig zou worden, mede gelet op de situatie met haar ex-man, is daartoe, gegeven deze strenge maatstaf, onvoldoende. Ook het feit dat, zoals koper stelt, het nadeel aan de zijde van verkoper beperkt is, wat daar verder ook van zij, is in het licht van hetgeen verder vaststaat onvoldoende voor een beroep op matiging.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99