Antwoord
Voor de invulling van het begrip redelijke termijn na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum bij ingang van de uitkeringen van een pensioen of een stamrecht is het nodig een onderscheid te maken naar de situatie bij leven en de situatie bij overlijden.
Als de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht op de expiratie- of deblokkeringsdatum nog in leven is, kan in alle gevallen een termijn van zes maanden na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum als redelijk worden aangemerkt. Ten aanzien van pensioenpolissen, moet hierop de volgende nuancering worden aangebracht.
In de tussen werkgever en werknemer gesloten pensioenovereenkomst zal met inachtneming van artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) een standaard ingangsdatum van de pensioenuitkeringen zijn opgenomen. De feitelijke ingangsdatum van het pensioen kan afwijken van de expiratiedatum van de onderliggende pensioenpolis. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen in de situatie dat de ingangsdatum van de pensioenuitkeringen wordt uitgesteld. Uitstel is mogelijk tot uiterlijk het tijdstip waarop de (gewezen) werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de voor de hem/haar geldende AOW-leeftijd (artikel 18a, vierde lid, Wet LB). Bij uitgestelde ingang van de pensioenuitkeringen zal de expiratiedatum van de eerder gesloten pensioenpolis vóór de uitgestelde pensioeningangsdatum liggen. Indien de periode tussen de expiratiedatum van de pensioenpolis en de uitgestelde pensioeningangsdatum langer is dan zes maanden wordt de hiervoor genoemde redelijke termijn van zes maanden vervangen door de periode tussen de expiratiedatum van de pensioenpolis en de uitgestelde pensioeningangsdatum.
Als de expiratie of de deblokkering het gevolg is van het overlijden van de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht, kan in alle gevallen een termijn van 12 maanden na de expiratie- of deblokkeringsdatum redelijk worden genoemd.
In de situatie waarin het niet mogelijk is om de uitkeringen in te laten gaan binnen één van de hierboven gestelde termijnen, zal de gerechtigde tot het pensioen, het stamrecht, de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht tegenover de inspecteur aannemelijk moeten maken dat in zijn geval de redelijke termijn nog niet is verstreken.
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB (tekst 2015) maakt het (in afwijking van het eerste lid) mogelijk het stamrechtvermogen in gedeelten op te nemen. Deze gedeeltelijke opname van het stamrechtvermogen is toegestaan tot aan het moment waarop de stamrechttermijnen uiterlijk in moeten gaan. Daarna dient het stamrecht in termijnen in te gaan.
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99