De belastingplichtige heeft in 2011 een ontslagvergoeding van €130.000 in een stamrecht B.V. ondergebracht. Nadien is voor €130.000 geleend van de BV door de DGA.
Met betrekking tot de zekerheden is in de overeenkomst een positieve/negatieve hypotheekverklaring opgenomen voor de woning aan het [A ADRES] (hierna: het pand), het woonhuis van de DGA. Tevens heeft de DGA zich jegens eiseres verbonden effecten en liquide middelen aan eiseres in pand te geven, en heeft de DGA zich persoonlijk borg gesteld.
Het pand was ten tijde in geding belast met een recht van hypotheek. De hypothecaire schuld bedroeg € 405.000. De WOZ-waarde van het pand voor het jaar 2012, met als waardepeildatum 1 januari 2011, bedroeg € 372.000.
Met betrekking tot de hoogte van de naheffingsaanslag heeft verweerder hangende het beroep als nader standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld en hij heeft zich nader op het standpunt gesteld dat deze € 67.600 dient te bedragen, zijnde 52% van € 130.000. Ook dient een bedrag aan revisierente te worden berekend van € 26.000, zijnde 20% van € 130.000. Het totaalbedrag van € 93.600 dient te worden vermeerderd met een dienovereenkomstig aangepast bedrag aan heffingsrente.
De rechtbank overweegt dat de DGA ten aanzien van hetzelfde bedrag dat was ondergebracht bij eiseres een geldleningsovereenkomst met de B.V. heeft gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is deze leningsovereenkomst onzakelijk, in het bijzonder vanwege het feit dat geen reële zekerheden zijn bedongen. Het pand dat als zekerheid is opgenomen is 100% belast met een recht van hypotheek terwijl de hypothecaire geldlening aanzienlijk meer bedraagt dan de waarde van het pand, dat naar eiseres niet heeft weersproken te koop staat voor € 374.900. Niet aannemelijk is geworden of de DGA zijn verplichting tot het vestigen van pandrechten daadwerkelijk is nagekomen.
Eiseres heeft tegenover de betwisting door verweerder onvoldoende onderbouwd dat hij in privé over voldoende middelen beschikt, zodat ook de borgstelling onvoldoende zekerheid biedt omtrent de terugbetaling van de opgenomen gelden.
Voorts is niet gebleken dat na de eerste twee aflossingen verder is afgelost en de rente is betaald. Uit de dossierstukken kan verder niet worden afgeleid dat enig toezicht op de aflossingen werd uitgevoerd.
Ten aanzien van de revisierente overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 30i, eerst lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), voor zover hier van belang, wordt met betrekking tot de inkomsten belastingrente –revisierente - verschuldigd, indien door de toepassing van artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid van de Wet LB een in dat artikel omschreven aanspraak tot het loon wordt gerekend.
De rechtbank is van oordeel dat de wet in het onderhavige geval geen grondslag biedt voor het berekenen van revisierente, nu het hier een (naheffings)aanslag loonbelasting, niet inkomstenbelasting betreft.
De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag loonheffingen tot een bedrag van € 67.600.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99