Zie Kamerbrief bladzijde 9 t/m 11 voor een uitgebreide toelichting.
Een schenkingsvrijstelling uitsluitend voor verduurzaming van een eigen woning is niet handhaafbaar door de Belastingdienst. Dit zou een bouwtechnische toets op de uitgevoerde werkzaamheden vereisen. Dat past niet binnen de taken van de Belastingdienst en de Belastingdienst beschikt dan ook niet over de benodigde expertise om deze toets uit te voeren.
Het kabinet interpreteert de vraag zo dat de AOW-gerechtigde met een jongere partner een deel van het ouderdomspensioen naar voren wil halen. Hoewel deze leden vragen om een oplossing buiten de bestaande hoog-laagconstructie, kan deze hoog-laagconstructie mogelijk wel een oplossing vormen. Een oplossing buiten de sfeer van de hoog-laagconstructie is niet mogelijk; de Pensioenwet en aanverwante wetgeving bieden daartoe geen mogelijkheden.
Wettelijk is het mogelijk om bij het ingaan van het ouderdomspensioen een deel van dat pensioen naar voren te halen, waarbij de hoogte van dat pensioen derhalve in de uitkeringsfase gaat variëren (de hoog-laagconstructie). Hierdoor is het – afhankelijk van de hoogte van het ouderdomspensioen – mogelijk om geheel of gedeeltelijk het vervallen van de AOW-partnertoeslag op te vangen met het gedeeltelijk naar voren halen van het ouderdomspensioen. Voorwaarde is wel dat de pensioenregeling van de betreffende deelnemer in deze mogelijkheid voorziet. Pensioenuitvoerders zijn namelijk niet verplicht om deze mogelijkheid aan te bieden.
In de wet is geregeld dat de waarde van de aanspraak ingevolge een ODV bij overlijden van de dga moet worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen, voor zover dit natuurlijke personen zijn. De aanspraak ingevolge een ODV valt dan ook in de nalatenschap van de dga en is een vermogensrecht dat vererft volgens de regels van het (wettelijk) erfrecht. Dit betekent dat de erfgenamen die recht hebben op (een deel van) de nalatenschap ook recht hebben op (een evenredig deel van) de ODV-uitkeringen. Wanneer de dga geen testament heeft gemaakt, vererft zijn nalatenschap krachtens het erfrecht bij versterf. In dat geval is, ingeval de dga een langstlevende partner en een of meer kinderen nalaat, de wettelijke verdeling van toepassing. Door de werking van de wettelijke verdeling wordt de ODV van rechtswege in haar geheel toegedeeld aan de echtgenoot.
Deze overgang van de ODV naar de echtgenoot volgt derhalve uit het van toepassing zijn van de wettelijke verdeling; hiervoor hoeft de dga niets afzonderlijks te regelen.
Wanneer de dga wil afwijken van het erfrecht bij versterf kan dat door het opmaken van een testament. In dat geval wijst de dga in zijn testament een of meer natuurlijke personen als erfgenamen aan en vererft de aanspraak ingevolge een ODV overeenkomstig de bepalingen in het testament aan de hierin opgenomen erfgenamen naar evenredigheid van de erfdelen.
Als de dga de aanspraak ingevolge een ODV wil laten toekomen aan een van zijn erfgenamen, dan kan hij dat regelen door middel van het opnemen van een legaat. In dat geval wordt nog steeds aan de wettelijke voorwaarde voldaan dat de ODV na overlijden moet worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen, als de ODV wordt gelegateerd aan een natuurlijk persoon die tevens erfgenaam is.
Op deze wijze kan de dga derhalve regelen dat de ODV ook uitsluitend aan de echtgenoot of partner toekomt als de wettelijke verdeling niet van toepassing is en er daarnaast nog andere erfgenamen zijn. Voorwaarde is wel, zoals hiervoor ook aangegeven, dat de legataris (in dit geval de echtgenoot of partner) tevens erfgenaam is. Wordt de ODV namelijk gelegateerd aan een echtgenoot of partner die geen erfgenaam is, dan wordt niet voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat de ODV bij overlijden moet toekomen aan een erfgenaam die tevens natuurlijk persoon is.
Met betrekking tot de vraag of de ODV in geval van een huwelijk in gemeenschap van goederen vanzelf overgaat naar de echtgenoot wordt het volgende opgemerkt. Indien sprake is van algehele gemeenschap van goederen behoort de aanspraak ingevolge een ODV tot de huwelijksgemeenschap. Op grond van het huwelijksvermogensrecht wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden op het moment van overlijden. De aard van de aanspraak ingevolge een ODV brengt mee dat deze bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap niet toegedeeld kan worden aan een ander dan de dga. De gehele ODV valt derhalve in de nalatenschap van de dga. De op grond van de huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot toekomende helft van de waarde van de aanspraak ingevolge een ODV dient in dat geval wel verrekend te worden. De aanspraak ingevolge een ODV gaat derhalve niet als gevolg van een huwelijk in gemeenschap van goederen vanzelf over naar de andere echtgenoot; er ontstaat bij die echtgenoot alleen een vordering op de nalatenschap. De aanspraak kan vervolgens uiteraard wel bij de verdeling van de nalatenschap bij die andere echtgenoot terechtkomen, mits aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99