Bij het oversluiten van de hypothecaire geldlening houdt de zorgplicht van de Adviseur voorts in dat hij moet onderzoeken of dat oversluiten in het belang van Consumenten is (Rechtbank Rotterdam, 9 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1693). Daarbij kunnen er tal van omstandigheden zijn die meebrengen dat een passend advies niet leidt tot de goedkoopst mogelijke constructie. Een advies is immers, naast de wensen van een consumenten omtrent de hoogte van maandlasten, per definitie afhankelijk van hun leeftijd, hun inkomsten en toekomstperspectieven, hun wensen omtrent afloszekerheid en hun bereidheid om risico’s te nemen.
Dit zou anders kunnen zijn indien Consumenten nadrukkelijk zouden hebben aangegeven dat de beste of goedkoopste constructie hun wens is (zie ook Rechtbank Midden-Nederland, 3 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:420). In de regel zal er immers niet één beste oplossing bestaan, gezien de vele factoren waarvan de inhoud van een advies afhankelijk is. Daarnaast is het goed denkbaar dat een advies dat volledig aan de wens van de allerlaagste maandlasten voldoet, toch niet passend is. Immers, indien lage maandlasten kunnen worden bereikt door een risicovolle hypotheekconstructie af te sluiten, is het zeer wel mogelijk dat die risicovolle constructie met het oog op bijvoorbeeld de leeftijd, doelstellingen en risicobereidheid van consumenten juist in het geheel niet passend is.
"In dat verband geldt dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat het door Consumenten gestelde alternatief (het zogenoemde VS2) overeen zou komen met de wensen destijds, doelstellingen en risicobereidheid, noch dat dat alternatief op welke andere grond dan ook überhaupt passend zou zijn geweest. De enige onderbouwing voor deze stelling wordt gegeven door erop te wijzen dat het alternatief over de gehele looptijd bezien lagere lasten zou hebben opgeleverd. Ten eerste is het maar de vraag of die stelling waar is. De in dat voorstel genoemde maandlasten en de uiteindelijke beoogde aflossing zijn immers
gebaseerd op fictieve voorbeeldrendementen. Daarnaast, ook al zou deze stelling feitelijk juist zijn, is de enkele omstandigheid van lagere totale lasten in een alternatieve situatie, zoals hierboven overwogen, onvoldoende voor een oordeel dat het hypotheekadvies niet passend is geweest. In het door Consumenten geboden alternatief is geen enkele garantie aanwezig dat enige vorm van aflossing aan het einde van de looptijd wordt bereikt en evenmin is aannemelijk gemaakt dat een dergelijke constructie zou passen bij de financiële positie, wensen, doelstellingen en risicobereidheid van Consumenten."
In 2 uitspraken krijgt de consument toch een schadevergoeding. Dit vanwege:
1) "...de stelling van Consumenten, die erop neerkomt dat hun situatie en wensen niet goed zijn geïnventariseerd. Deze stelling hebben Consumenten
onder meer onderbouwd door te verwijzen naar de interne tegenstrijdigheden die kenbaar zijn uit het PFP van november 2014..." en
2) "...Consumenten hebben ontkend het door Adviseur in de procedure gebrachte Persoonlijk Financieel Advies in eerdere instantie van Adviseur te hebben ontvangen. Adviseur heeft deze stelling van Consumenten niet betwist en aangegeven dat het de bedoeling was het Persoonlijk Financieel Advies te bespreken gelijktijdig met de bespreking van de offerte voor de hypotheek. Adviseur heeft gesteld dat deze bespreking niet heeft plaatsgevonden omdat Consumenten de offerte direct hebben ondertekend. Naar het oordeel van de Commissie ligt het in die omstandigheden op de weg van Adviseur om Consumenten volledig voor te lichten en, zo Consumenten uitspreken geen behoefte te hebben aan een nadere toelichting van Adviseur, vast te leggen dat Consumenten aan nadere informatie geen behoefte hebben. Door dit niet te doen heeft Adviseur de dossierplicht geschonden die hij jegens Consumenten in acht dient te nemen. ..."
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99