Er is daarmee niet voldaan aan de eis van artikel 3.111, lid 6, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 dat de woning niet aan een derde ter beschikking wordt gesteld. De inspecteur heeft de woning van belanghebbende dan ook terecht niet langer als eigen woning aangemerkt. Deze uitspraak in hoger beroep is van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch .
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de woning in de onderhavige jaren kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB). Meer in bijzonder is in geschil of is voldaan aan de in artikel 3.111, lid 6, onderdeel a, van de Wet IB opgenomen voorwaarde dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld.
Uit de stukken van geding leidt het Hof af dat de neef niet tot het huishouden van belanghebbende behoorde en dus moet worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 3.111, lid 6, onderdeel a, van de Wet IB. De neef logeerde in de woning wanneer hij voor zijn studie in [plaats 2] colleges moest volgen.
Belanghebbende heeft toestemming gegeven voor het gebruik van de woning door de neef en er is sprake van meer dan incidenteel logeren. De aanwezigheid van de neef vanwege zijn studie heeft immers een regelmatig en structureel karakter. Nu de neef als een derde moet worden aangemerkt en voorts sprake is van een situatie waarin wordt gedoogd dat die derde (een deel van) de woning gebruikt, is sprake van het ter beschikking stellen van de woning aan een derde als bedoeld in artikel 3.111, lid 6, onderdeel a, van de Wet IB. Dat de neef ook al voor de uitzending van belanghebbende en zijn echtgenote gebruik maakte van de woning, dat voor het gebruik van de woning door de neef geen vergoeding is gevraagd en dat belanghebbende en zijn echtgenote ook zelf gebruik konden maken van de woning als zij tijdelijk in Nederland verbleven, maakt dit niet anders.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99