Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aannemelijk te maken dat zijn centrale levensplaats zich in Zeeland bevond.
Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt, analoog aan artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, naar de omstandigheden beoordeeld, met dien verstande dat het hierbij gaat om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de belastingplichtige bevindt.
Voor het vaststellen van de centrale levensplaats zijn de feitelijke leefpatronen van een belastingplichtige van groter belang dan de objectieve kenmerken van de woningen, waarover deze belastingplichtige kan beschikken.
De Rechtbank noemt de volgende feiten en omstandigheden, die tot de conclusie leiden dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van belanghebbende zich in [G] bevindt: belanghebbende werkte in de onderhavige jaren in [G] , belanghebbende heeft gedurende deze jaren vaker overnacht in [G] dan in [woonplaats] , deze overnachtingen in [woonplaats] vonden veelal plaats in (en in de aanloop naar het) weekend, belanghebbende heeft met name pinbetalingen verricht en geldopnamen gedaan in [G] , belanghebbende heeft in de onderhavige jaren in [G] deelgenomen aan sport- en verenigingsleven en post ten behoeve van de financiële administratie werd in [G] bezorgd.
Het feit dat belanghebbende vanaf [datum 4] 2009 is ingeschreven op het adres [adres 3] 6 is hiertoe onvoldoende, aangezien deze administratieve vastlegging minder relevant is bij het bepalen van de centrale levensplaats dan de feiten en omstandigheden met betrekking tot de werkelijke woonsituatie.
Voorts is, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende meent, bij het vaststellen van de centrale levensplaats niet doorslaggevend, waar vrienden en familie worden ontvangen respectievelijk waar belanghebbende en zijn echtgenote de weekenden en vakanties doorbrengen, aangezien de zakelijke band die belanghebbende met [G] heeft en de vele sociale activiteiten, waaraan belanghebbende en zijn echtgenote in en rondom [G] deelnemen, de weegschaal door laten slaan naar laatstgenoemde plaats.
Belanghebbende heeft ten onrechte betoogd dat de vakantiedagen die hij buiten [G] respectievelijk [woonplaats] heeft doorgebracht, toegerekend dienen te worden aan laatstgenoemde plaats. Naar het oordeel van het Hof zijn uitsluitend de dagen respectievelijk nachten, die belanghebbende daadwerkelijk in [woonplaats] heeft doorgebracht, indicatief voor beantwoording van de vraag waar zich de centrale levensplaats van belanghebbende bevindt.
Aangezien het Hof tot het oordeel is gekomen, dat de woning niet tot hoofdverblijf is gaan dienen, kan de woning ook niet als leegstaand dan wel als in aanbouw worden aangemerkt, nog daargelaten dat de woning niet leegstaand was (belanghebbende verbleef daar regelmatig) en ook niet in aanbouw.
Lees hier de volledige uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99