[eiseres, vertrokken ex-partner die uit hoofdelijke aansprakelijkheid wenst te worden ontslagen], [gedaagde, achterblijvende ex-partner/bewoner]
De rechtbank overweegt allereerst als volgt.
Op grond van het bepaalde in artikel 3:174 lid 1 en 2 BW kan een partij – bij verzoekschrift – de rechter verzoeken om hem te machtigen om een gemeenschappelijk goed te gelde te maken in verband met de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. Die gewichtige redenen kunnen liggen in leegstand en een daardoor optredend gevaar voor waardevermindering.
Niet als gewichtige reden kan worden aangemerkt de noodzaak tot een behoorlijke verdeling te geraken. Hierop is artikel 3:185 BW van toepassing. Gelet op hetgeen [eiseres] te berde heeft gebracht ter zake van haar vordering – waaronder haar stelling dat zij op grond van artikel 3:185 BW niet kan worden verplicht in een onverdeeldheid te blijven – alsmede de toelichting op haar vordering ter comparitie, vat de rechtbank de vordering van [eiseres] op als een vordering tot verdeling ex artikel 3:185 BW. Daarbij overweegt de rechtbank dat partijen gemeenschappelijk eigenaar zijn van de woning en derhalve deelgenoten.
Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang.
De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. Nu [gedaagde] zich tegen een vordering tot verdeling heeft verweerd, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet in zijn belangen is geschaad.
Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van de vordering tot verkoop van de woning als volgt. Nu [gedaagde] meer dan anderhalf jaar heeft laten verstrijken zonder dat de overname van de woning is gerealiseerd – of hiermee in ieder geval een aanvang is gemaakt – zal de rechtbank op de voet van artikel 3:185 BW de verkoop van de woning gelasten. [gedaagde] heeft geen enkel stuk in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij zich enige inspanning heeft getroost om de woning volledig op zijn naam te krijgen en [eiseres] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening te laten ontslaan.
Het vorenstaande brengt met zich dat de woning zal dienen te worden verkocht. Dit zal plaatsvinden op de in het dictum te vermelden wijze. De rechtbank ziet, nu [gedaagde] zich niet kan vinden in de verkoop van de woning, aanleiding om te bepalen dat [gedaagde] uiterlijk één dag voor de met koper overeengekomen leveringsdatum dient te ontruimen en zal de vordering tot ontruiming door [eiseres] in die zin toewijzen. Uiteraard zal [gedaagde] , zolang hij in de woning verblijft, zijn medewerking dienen te verlenen aan alle feitelijke handelingen die noodzakelijk zijn om te komen tot verkoop van de woning, waaronder begrepen het aan de makelaar verschaffen van toegang tot de woning, bezichtigingen door (potentiële) kopers en overige door de makelaar te organiseren verkoopactiviteiten. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. Immers, op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv is de deurwaarder, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de sterke arm van politie in te roepen, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van [gedaagde] komen.
Bron: Rechtspraak
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99