In het onderhavige executie kort geding is het hof tot het oordeel gekomen dat de man vanaf de datum van de betaling door de vrouw aan de hypotheekverstrekker geen dwangsommen meer jegens de vrouw verbeurt.
Op 29 augustus 2017 heeft het hof arrest gewezen. Het hof is tot het oordeel gekomen dat de grieven van de vrouw falen en dat het vonnis in zoverre zal worden bekrachtigd (rov. 3.5.). Het hof heeft daartoe kort gezegd overwogen als volgt. De vrouw is vanaf de dag dat zij de achterstand in de hypotheekrente en premies levensverzekering heeft voldaan niet meer gerechtigd dwangsommen te incasseren op grond van het vonnis van 19 november 2015. De vrouw heeft voor het bedrag dat de man vanaf juni 2015 tot 23 november 2015 (de datum waarop de voorlopige voorzieningen hun kracht verloren) moest betalen maar dat niet heeft gedaan, wel regres op de man.
Dat regresrecht heeft zij niet op grond van het kortgedingvonnis maar op grond van art. 6:10 BW. Aan deze regresvordering van de vrouw is geen dwangsom verbonden. De vrouw stelt zich dus ten onrechte op het standpunt dat de man nog immer dwangsommen verbeurt en aan haar is verschuldigd.
In cassatie betoogt de vrouw dat het hof de dwangsomveroordeling te beperkt heeft opgevat en voorts buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Het cassatieberoep wordt echter verworpen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99