In hoger beroep heeft een vrouw ter zitting gesteld dat in de draagkrachtberekening ten onrechte rekening is gehouden met de bruto hypotheekrente. De vrouw stelde dat de man zijn deel van de hypotheekrente drie jaar mag aftrekken en het deel van de hypotheekrente dat hij voor de vrouw betaalt als partneralimentatie kan aftrekken.
Het verzoek van de man tot echtscheiding is op 1 juli 2015 ingekomen bij de rechtbank Oost-Brabant; dit is de datum waarop de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw is ontbonden; daarop is bij de bestreden beschikking van 8 december 2016 de echtscheiding uitgesproken; de echtscheidingsbeschikking is op 30 maart 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 3.111 lid 4 Wet IB 2001 behelst de regeling dat de gewezen echtgenoot die niet langer in de eigen woning verblijft, de woning kan aanmerken als eigen woning voor de Wet IB 2001:
“Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. (…)”
Hieruit volgt dat de man als vertrekkende partner de woning nog maximaal twee jaar na datum van zijn vertrek kan aanmerken als eigen woning, onder voorwaarde dat de woning als hoofdverblijf ter beschikking staat voor de vrouw die in de woning blijft wonen. De man heeft de echtelijke woning op 1 februari 2015 verlaten. Aldus is op de ingangsdatum van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage (30 maart 21017) de periode van twee jaar verstreken waardoor de man niet meer gerechtigd is tot het maken van een aanspraak op hypotheekrenteaftrek.
Het hof volgt de vrouw niet in haar ter zitting geponeerde (en door de man betwiste) stelling dat de man zijn deel van de hypotheekrente drie jaar mag aftrekken – waarbij zij kennelijk doelt op de zogenoemde verhuisregeling van art. 3.111 lid 2 Wet IB ingevolge welke de termijn van twee jaar onder de daar genoemde omstandigheden een nog langere periode bedragen – nu zij deze stelling niet nader heeft onderbouwd.
Het hof volgt de vrouw evenmin in haar stelling dat de man het deel van de hypotheekrente dat hij voor de vrouw betaalt als partneralimentatie krachtens art. 6.3. Wet IB in aanmerking kan nemen. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Onderhoudsverplichtingen zijn op voet van art. 6.3 lid 1 IB 2001 onder meer:
“a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;”
Uit de bewoordingen van de wettekst volgt dat het moet gaan om periodieke uitkeringen die hun ontstaansgrond vinden in het in Boek 1 Van het Burgerlijk Wetboek neergelegd familierecht en dat alleen in rechte vorderbare familierechtelijke uitkeringen voor aftrek in aanmerking komen. Daarvan is ter zake van de door de man voor de vrouw betaalde hypotheekrente geen sprake.
Alimentatie is in rechte vorderbaar indien de verplichting hiertoe is opgenomen in een echtscheidingsconvenant dan wel bij rechterlijke uitspraak is bepaald. Partijen hebben geen echtscheidingsconvenant opgemaakt. In casu is aan de orde de procedure tot vaststelling van de partneralimentatie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat partneralimentatie in de vorm van rechtstreekse periodieke betalingen aan de vrouw wordt verstrekt. Indien en voor zover van dit uitgangspunt wordt afgeweken, dient hieraan een overeenkomst tussen partijen ten grondslag te liggen. Van een dergelijke overeenkomst tussen partijen is evenwel geen sprake. Evenmin is het hof gebleken dat partijen gezamenlijk een afwijking op genoemd uitgangspunt voor ogen hebben.
Uit het voorgaande volgt dat het hof evenals de man bij de draagkrachtberekening over de periode van 30 maart tot 1 oktober 2017 uitgaat van de bruto hypotheekrente.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99