Het college heeft de bijstand van appellante bij wijze van maatregel gedurende 23 maanden met 20% verlaagd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde van haar aanvraag van 11 november 2015 teveel had ingeteerd op haar vermogen uit de erfenis en daardoor een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond. Van persoonlijke en/of bijzondere omstandigheden om van verlaging af te zien is het college niet gebleken. Het college had aanvankelijk berekend dat appellante bij verantwoord interen op haar vermogen nog 23 maanden na november 2015 in haar levensonderhoud had kunnen voorzien.
Op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening wordt bij het onverantwoord besteden van vermogen de op te leggen verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Op grond van het derde lid, aanhef en onder e, van dit artikel bedraagt de verlaging bij een benadelingsbedrag van meer van € 20.000,- 20% van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat de belanghebbende met het vermogen in zijn bestaan zou hebben kunnen voorzien, met een maximum van 24 maanden.
Volgens vaste rechtspraak is de gehanteerde interingsnorm van 1,5 maal de toepasselijke norm in beginsel aanvaardbaar. Nu appellante geen hoge woonkosten of hoge andere vaste noodzakelijke uitgaven heeft, is er geen reden om de interingsnorm in dit geval te verhogen.
De te snelle intering op haar vermogen kan appellante worden verweten. Appellante is in augustus 2011 werkloos geworden door bezuinigingen in de thuiszorg. Daarna heeft zij naast haar vermogen geen of minimale inkomsten uit arbeid ontvangen. Gelet hierop was het voor appellante redelijkerwijs voorzienbaar dat zij na verloop van tijd een beroep op de bijstand zou moeten doen. Van appellante mocht worden verwacht dat zij daarmee in haar uitgavenpatroon rekening zou houden. Dat zij ervan uitging dat zij weer een baan zou krijgen berust op een aanname die voor rekening en risico van appellante moet blijven. Dat appellante in september 2015 de diagnose artrose heeft gekregen, maakt het voorgaande niet anders, nu zij op dat moment al bijna volledig op haar vermogen had ingeteerd.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99