Het gevorderde valt in twee onderdelen uiteen. Ten eerste de veroordeling van de huiseigenaar om te dulden dat het onderpand (de woning) wordt bezichtigd.
De voorzieningenrechter: veroordeelt de huiseigenaar om de daartoe door WestlandUtrecht Bank in te schakelen taxateurs en makelaar alsmede alle belangstellenden in de zin van artikel 3:267a BW op één tot drie door WestlandUtrecht Bank aan te wijzen werkdagen voorafgaande aan de executoriale verkoop toegang te verlenen tot de woning gelegen aan de [adres] en hen in de gelegenheid te stellen het onderpand te betreden en geheel inpandig te bezichtigen en op te nemen.
Ten tweede, indien de huiseigenaar daar niet aan voldoen, het verlenen van een machtiging van WestlandUtrecht Bank om zelf te bewerkstelligen waartoe nakoming door de huiseigenaar zou hebben geleid, met behulp van de deurwaarder en de sterke arm van politie en justitie.
Voor zover WestlandUtrecht Bank met het gevorderde onder 2. beoogt de machtiging te verkrijgen zoals die is bedoeld in artikel 3:267a lid 3 BW, heeft zij daar geen belang bij. Vóór 1 januari 2015 kon de hypotheekhouder bezichtigingen van het onderpand doen plaatsvinden door het onderpand in beheer te nemen middels het inroepen van het beheersbeding als bedoeld in artikel 3:267 BW. Vanwege de daaraan verbonden verplichtingen, waaronder het doen uitvoeren van onderhoud en het afsluiten van verzekeringen, achtte de wetgever het inroepen van dat beheersbeding enkel om bezichtigingen te doen plaatsvinden een te zware last. De wetgever heeft artikel 3:267a BW ingevoerd en daarmee beoogd een eenvoudiger en - voor de hypotheekhouder - minder bezwarende optie voor het doen plaatsvinden van bezichtigingen toe te voegen. In artikel 3:267a BW wordt de hypotheekgever verplicht om belangstellenden de gelegenheid te geven de onroerende zaak te bezichtigen, zonder dat daarvoor een door de rechter af te geven machtiging is vereist.
Weliswaar kan de hypotheekhouder zich bij de bezichtigingen laten bijstaan door een deurwaarder en de sterke arm, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter levert artikel 3:267a BW in samenhang met artikel 12 Grondwet en artikel 2 van de Algemene Wet op het Binnentreden (Awbi) geen bevoegdheid op voor de hypotheekhouder en/of belangstellenden om de onroerende zaak zonder toestemming van de bewoner te betreden. Ook overigens is er geen wettelijke grondslag op basis waarvan de voorzieningenrechter bevoegd is een machtiging af te geven voor het binnentreden van een woning.
De vordering van WestlandUtrecht Bank komt de voorzieningenrechter dus op dit punt ongegrond of onrechtmatig voor, zodat het gevorderde onder 2. zal worden afgewezen.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat, in die gevallen waarin de hypotheekhouder zich geconfronteerd ziet met een hypotheekgever die weigert aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 3:267a lid 1 en 2 BW te voldoen, zij derhalve ofwel telkenmale tezamen met de politie, die daarvoor op grond van artikel 2 lid 1 jo. artikel 3 lid 2 jo. artikel 4 van de Awbi door de burgemeester dient te worden gemachtigd, bij de onroerende zaak zal moeten vervoegen, ofwel zich alsnog tot de voorzieningenrechter moeten wenden en te verzoeken haar te machtigen de onroerende zaak in beheer te nemen op de voet van artikel 3:267 BW, ofwel in kort geding moet vorderen dat de hypotheekgever/bewoners worden veroordeeld de woning gedeeltelijk ontruimen of worden veroordeeld tot nakoming van de verplichting om bezichtigingen te dulden op straffe van verbeurte van een dwangsom. In die procedures kan dan waar nodig aan de orde komen of bij de inbreuk op het huisrecht van de hypotheekgever wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99