Verzoekers hebben geen schriftelijke verklaring afgelegd over de wijze van aanvaarding van de nalatenschappen van erflaters. Zij hebben de nalatenschappen niet verworpen. Verzoekers hebben na het overlijden van erflaatster onder andere betalingsregelingen getroffen voor betaling van de facturen van de beide uitvaarten, zij hebben de in de woning van erflater aangetroffen post meegenomen en doorgenomen, openstaande rekeningen voldaan uit hun eigen vermogen en de vervuilde en verwaarloosde huurwoning leeggeruimd. Zij hebben zich daarmee gedragen als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen, resulterend in zuivere aanvaarding.
Artikel 4:194a BW is in werking getreden op 1 september 2016. Bij gebrek aan een overgangsbepaling, heeft deze wetswijziging onmiddellijke werking. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na ontdekking van de schuld. Voor schulden die vóór inwerkingtreding van deze wet zijn ontdekt, kan geen verzoek worden ingediend op grond van artikel 4:194a BW. De kantonrechter zal daarom eerst beoordelen wanneer verzoekers de schuld ontdekten.
De kantonrechter is van oordeel dat de enkele telefonische mededelingen op 20 september 2016 van mr. Van den Bogert en schuldeidser aan erfgenamen dat nog sprake is van een openstaande schuld van erflater, niet maakt dat op dat moment de schuld aan erfgenamen bekend werd.
De kantonrechter overweegt dat de bescherming van artikel 4:194a BW alleen kan worden ingeroepen voor een onverwachte schuld. Een onverwachte schuld is een schuld die een erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Met de woorden “kende en behoorde te kennen” wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in het Burgerlijk Wetboek. De goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van de aanvaarding van de nalatenschap. Ook als een erfgenaam weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden - rekening houdende met zijn eventuele deskundigheid - beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kan hij niet als te goeder trouw worden aangemerkt.
De kantonrechter overweegt dat door [belanghebbende] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit blijkt dat verzoekers de schuld eind 2015 kenden. Van feiten of omstandigheden die erop wijzen dat verzoekers de schuld eind 2015 kenden, is de kantonrechter ook overigens niet gebleken. Dat verzoekers de schuld toen al kenden, is ook niet aannemelijk, omdat verzoekers eind 2015 ervoor hebben gekozen om de (overige) schulden van erflaters voor eigen rekening te nemen. Verzoekers hebben na het overlijden van erflaatster bij instanties nagevraagd of er nog openstaande schulden waren. De toen bekende schulden zijn afbetaald door verzoekers, grotendeels uit hun eigen vermogen. Zij zijn ondeskundig op het gebied van de afwikkeling van nalatenschappen. Zij dachten dat het hun morele plicht was om de schulden van hun ouders te voldoen. Zij hebben eind 2015 geen aanleiding gezien om hulp van een deskundige in te schakelen. Die aanleiding was er wel toen zij eind 2017 bekend werden met het vonnis, dat enorme financiële gevolgen voor hen zou hebben. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat verzoekers de schuld eind 2015 niet kenden.
Uit artikel 4:194a lid 2 slotzin BW volgt dat de kantonrechter de verzochte ontheffing niet verleent, als een erfgenaam zich zodanig heeft gedragen dat de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat de erfgenaam de schuld uit zijn overige vermogen voldoet. Ter zitting heeft schuldeiser aangegeven dat dat vertrouwen niet gewekt is.
Het vorenstaande maakt dat de kantonrechter verzoekers zal ontheffen van hun verplichting om de schuld uit hun vermogen te voldoen.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99