[eiseres = huiseigenaar]
Tussen partijen staat vast dat de woning in eigendom toebehoort aan [eiseres] , terwijl [gedaagde] er na het verbreken van de relatie niet langer met instemming van [eiseres] verblijft. Hoewel het evident is dat [gedaagde] de woning zal moeten verlaten, dient in deze procedure beoordeeld te worden of [eiseres] haar eigendomsrecht in dit kort geding geldend kan maken. Aan de orde is daarom de vraag of [eiseres] een voldoende spoedeisend belang heeft bij de toewijzing van haar vorderingen, dat zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de afwijzing daarvan. De relatie tussen partijen is definitief beëindigd in mei 2018.
Hoewel vanuit het gezichtspunt van [gedaagde] begrijpelijk is dat hij in de woning wenst te verblijven, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter van [eiseres] niet veel langer meer gevergd worden dat [gedaagde] in haar woning verblijft. Zeker nu de termijn die [gedaagde] nog nodig zal hebben voor het betrekken van een nieuwe woonruimte ongewis is, mag [gedaagde] niet zonder meer verwachten dat hij nog voor een onbeperkte periode in de woning kan verblijven. Dit geldt temeer, nu er sprake is van een gespannen situatie tussen partijen wat ook geenszins in het belang van het kind is die eveneens in de woning woont.
Gelet op het voorgaande, zal de voorzieningenrechter de ontruiming van de woning bepalen op 1 september 2018. Indien [gedaagde] vóór die datum nog geen passende woonruimte heeft gevonden, zal hij tijdelijk elders onderdak moeten vinden.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99