De spaarrekening was een rekening waarop de ouders van Consument destijds spaarden voor een toekomstig doel (namelijk voor een bruiloft als Consument zou gaan trouwen). In 2001 gingen de ouders van Consument uit elkaar en is de spaarrekening op naam van Consument gezet. Aangezien de spaarrekening bedoeld was voor een bruiloft en Consument in de periode voor 2017 nog geen trouwplannen had, heeft Consument in de tussentijd niet naar de spaarrekening gekeken. Consument dacht dat haar moeder (die gemachtigd was voor de spaarrekening) de rekeningafschriften van de spaarrekening ontving; zelf heeft Consument nooit rekeningafschriften van de spaarrekening ontvangen. Zij kon daarom niet weten dat het geld van de spaarrekening was opgenomen.
In artikel 6:89 BW staat dat een schuldeiser (in dit geval: Consument) geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie (in dit geval: het feit dat het saldo van haar spaarrekening is opgenomen en dat de spaarrekening is opgeheven) als zij niet binnen bekwame tijd nadat zij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar (in dit geval: de Bank) heeft geprotesteerd.
Consument stelt dat zij tijdig heeft geklaagd, namelijk op het moment dat zij het gebrek heeft ontdekt. Consument stelt dat zij pas op 16 maart 2017 in kennis is gesteld van het opheffen van de spaarrekening en dat zij op dat moment – dus tijdig – beklag heeft gedaan bij de Bank.
De Commissie overweegt als volgt. De klachttermijn gaat lopen zodra de schuldeiser het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken. Artikel 6:89 BW behelst derhalve niet alleen een klachtplicht, maar ook een zekere onderzoeksplicht voor Consument. De vraag is dus of Consument het gebrek al eerder had kunnen ontdekken. De Commissie is van oordeel dat dit inderdaad het geval is.
De Bank wijst erop dat Consument ook een Privérekening aanhoudt bij de Bank. De Bank heeft een kopie overgelegd van een rekeningafschrift van de Privérekening van 19 september 2005. Hierop staat onder meer vermeld: “Creditrente van opgeheven spaarrekening nr. xx.xx.xx.xxx t.n.v. [naam Consument]”. Consument heeft niet betwist dat zij dit rekeningafschrift heeft ontvangen. Uit dit rekeningafschrift kon Consument opmaken dat haar spaarrekening was opgeheven. De Commissie is daarom van oordeel dat Consument op 19 september 2005 had kunnen ontdekken dat haar spaarrekening was opgeheven.
De Bank is gehouden aan de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar voor het bewaren van administratieve bescheiden. Als Consument binnen deze zeven jaar had geklaagd over het feit dat het saldo van haar spaarrekening was opgenomen, dan had de Bank nog kunnen aantonen wie het saldo van de spaarrekening had opgenomen. Consument heeft echter pas in 2017 geklaagd. Op dat moment was de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar al verstreken. De Bank heeft aangegeven daardoor niet meer in staat te zijn om aan te tonen wie het geld in 2005 van de spaarrekening heeft opgenomen.
De Commissie komt tot de slotsom dat Consument niet heeft voldaan aan de plicht tijdig te klagen conform het vereiste van artikel 6:89 BW. De Bank heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door dit tijdsverloop is benadeeld, zodat dit verweer slaagt en de Commissie niet toekomt aan een verdere beoordeling van de klacht.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99