Ondanks dat Consument op het moment van de aanvraag van de geldlening nog geen drie jaar ondernemer was en niet voldeed aan de eis om van tenminste drie voorgaande jaren de jaarrekening over te leggen, heeft de Bank de geldlening verstrekt. Daarnaast heeft de Bank gelet op de waarde van de woning een te hoge geldlening verstrekt. Consument heeft hierdoor jarenlang een te hoge maandtermijn voldaan.
Op grond van artikel 4: 34 Wet op het financieel toezicht geldt voor de zaak van Consument dat op de Bank de verplichting rustte om, alvorens tot verstrekking van de geldlening over te gaan, te onderzoeken of Consument de daaraan verbonden financiële lasten kon dragen, zodat overkreditering kon worden voorkomen. Een dergelijk door de Bank te verrichten onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van Consument is een middel om eventuele overkreditering te kunnen vaststellen. Daarbij komt het aan op de ten tijde van de kredietverlening geldende inzichten over verantwoorde kredietverstrekking.
Het is aannemelijk dat de Bank zich bij het bepalen van de leencapaciteit ervan bewust is geweest dat Consument nog geen drie jaar ondernemer was, maar ook dat zij daarbij in aanmerking heeft genomen enerzijds de door Consument in het verleden genoten looninkomsten en anderzijds de toekomstige inkomsten die redelijkerwijs te verwachten waren. Aan de hand van de door Consument aangeleverde stukken is een inkomsten-verklaring opgesteld. Het inkomen was niet toereikend en daarom is de geldlening voor een deel verstrekt waarvoor de ouders van Consument mededebiteur zijn geworden. Ook is rekening gehouden met een aan Consument in eigendom toebehorende garage (WOZ-waarde € 15.000,--, zonder hypotheek) en spaargeld (€ 12.709,--). De Bank heeft Consument in de offerte uitdrukkelijk en in heldere woorden voorgelicht en op de risico’s gewezen. Consument was het daarmee eens. De Bank was bevoegd om deze financiering aan Consument te verstrekken. Van overkreditering was geen sprake.
Verder wordt van belang geacht dat de financiële problemen waarmee Consument te kampen heeft gekregen terug te voeren zijn op feiten en omstandigheden, overigens van latere datum, die niet aan de Bank zijn aan te rekenen.
De vordering van consument moet dus worden afgewezen. Alle overige stellingen en ingebrachte argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen derhalve onbesproken blijven.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99