Belanghebbenden stellen verder, dat nu de Inspecteur pas in 2013 om schriftelijke bescheiden betreffende de kosten van verbouwing vroeg, hij het recht om zulks te doen heeft verwerkt.
Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, brengt het enkele volgen van de aangiften in eerdere jaren op zich niet mee dat belanghebbenden ontslagen zijn van de last te voldoen aan de wettelijke eis van staving met schriftelijke bescheiden en dat zij er niet meer op bedacht hoefden te zijnde stukken te bewaren.
[Bedacht moet immers worden dat het de belanghebbende is die aanspraak maakt op een aftrekpost, zodat het ook op zijn weg ligt de daartoe benodigde bewijsstukken te produceren en dus te bewaren. Het ontbreken van een wettelijke bewaarplicht voor particulieren maakt dat niet anders.]
Denkbaar is echter dat de Inspecteur na ommekomst van een zekere periode zijn recht heeft verwerkt om bewijs - de schriftelijke bescheiden - te vragen. Het Hof verwijst in dit verband naar hetgeen A-G Overgaauw in onderdeel 5.6 e.v. van de bijlage van zijn conclusie voor onder meer HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8992, BNB 2008/90, daarover vermeldt.
Gelet op de geschetste gang van zaken, is van een ommekomst van een dergelijke periode hier sprake.
Vaststaat dat voor het indienen van de aangiften 2007, het jaar van de in geschil zijnde verhoging, de navorderingstermijn in 2013 was verstreken. De Inspecteur heeft pas bij de behandeling van de aangiften 2010 e.v. in 2013, derhalve zes jaren na de verhoging van de hypotheek, om de schriftelijke bescheiden gevraagd, nadat hij eerst de aangiften van voorgaande jaren ter zake heeft gevolgd. Gelet op hetgeen de A-G Overgaauw heeft geschreven in zijn hierboven aangehaalde conclusie, heeft de Inspecteur zijn recht de schriftelijke bescheiden te vragen verwerkt. Daarbij komt dat ook in de jaren daarna, in 2013 tot en met 2015, de aangiften steeds zijn gevolgd.
Het hoger beroep van belanghebbenden is daarom gegrond.
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99