De man eist een gebruiksvergoeding, naar het hof aanneemt op grond van art. 3:169 BW. Partijen hebben gezamenlijk een woning gekocht, maar hun onderlinge affectieve relatie is geëindigd voordat de woning gereed was voor bewoning. De vrouw heeft feitelijk de woning betrokken vanaf 1 augustus 2008 tot 30 september 2015 en heeft in die periode het woongenot exclusief gehad.
Voor het berekenen van de gebruiksvergoeding gaat het hof uit van het redelijkerwijs te behalen rendement op het in de woning geïnvesteerde vermogen. Daarbij sluit het hof aan bij het uitgangspunt van de wetgever dat vier procent (na lasten maar vóór inkomstenbelasting) redelijkerwijs haalbaar is waarbij ingeval van onroerende zaken het geïnvesteerde vermogen gelijk wordt geacht aan de WOZ waarde. In het onderhavige geval acht het hof het redelijk om uit te gaan van de (lagere) waarde ad EUR 248.000 nu het hoogst ontvangen bod daaraan gelijk was. De gebruiksvergoeding is dan voor de relevante periode gelijk aan de helft van 4% van EUR 248.000 oftewel EUR 4.960 per jaar. Nu de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning heeft gehad gedurende 86 maanden (zeven jaar plus twee maanden) is zij in beginsel een gebruiksvergoeding verschuldigd aan de man ad EUR 35.547.
Voor de gebruiksvergoeding ex art. 3: 169 BW geldt, dat een deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht kan worden om de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143, NJ 2001, 59). Deze vergoeding wordt toegekend met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid.
De vrouw wijst op de zogenaamde overwaarde methode, zoals die blijkens de jurisprudentie in incidentele gevallen is toegepast. Bij toepassing van die methode is zij feitelijk geen vergoeding verschuldigd. [Fintool: er is sprake van een 'onderwaterhypotheek']
Het hof volgt de vrouw niet in haar beroep op de zogenoemde overwaarde methode. Eigenaarslasten zoals hypothecaire lasten en verzekeringspremies die gekoppeld zijn aan een hypotheek of anderszins verband houden met de eigendom zijn zakelijke lasten die gedragen moeten gedragen in evenredigheid van gerechtigheid van de eigenaren tot de eigendom. Die lasten staan dus los van de al dan niet verschuldigde gebruiksvergoeding.
De inschatting van de vrouw dat de markt op termijn zal aantrekken levert geen rechtens te respecteren belang op voor de vrouw om medewerking te weigeren nu dergelijke inschattingen naar hun aard subjectief en speculatief zijn. Bovendien dient dit belang te worden afgezet tegen het belang van de man om niet langer in de gemeenschap van eigendom van de woning te blijven. Tussen partijen staat vast dat het bod na het kort geding vonnis niet meer gold en dat partijen genoegen hebben moeten nemen met een lager bod. De vrouw valt terzake een verwijt te maken en is gehouden de deswege door de man geleden schade te vergoeden. Dat betreft de helft van de minderopbrengst (EUR 5.000).
Bron: Rechtspraak.nl
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99