Door het verstrijken van het uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn voor aankoop van een pensioen- of loonstamrechtuitkering treedt artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, Wet LB in werking. Er is dan geen sprake meer van een pensioen- en/of loonstamrechtregeling in de zin van de Wet LB. In dat geval wordt de waarde van de pensioen- of loonstamrechtaanspraak op het tijdstip dat onmiddellijk vooraf gaat aan het verstrijken van het uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn, aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak. De uitvoerder van het pensioen of het loonstamrecht moet op dat moment de verschuldigde loonheffingen inhouden en afdragen en kan de eventuele netto-uitkeringen reserveren tot deze door de gerechtigde worden opgevraagd. Toelichting uiterste tijdstip en redelijke termijnEen ouderdomspensioen mag niet later in gaan dan op het tijdstip waarop de werknemer of de gewezen werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. Een loonstamrecht mag niet later ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt. Een partner- of wezenpensioen mag niet later in gaan dan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer of gewezen werknemer is overleden dan wel, ingeval de partner of de wees recht heeft op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, niet later dan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin dat recht eindigt. Een loonstamrecht ten behoeve van de partner en/of wezen gaat in bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer. |
Onder bepaalde omstandigheden mag een redelijke termijn in acht worden genomen (zie download onder).
Bron: Belastingdienst
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99