Een huishouden met een eenverdiener die € 40.000 verdient betaalt in 2019 € 9774 aan belasting en premie volksverzekeringen. Een huishouden waarin beide partners werken en allebei € 20.000 verdienen, betaalt in 2019 € 3448. Hierbij gaat het kabinet uit van huishoudens zonder kinderen en zonder aftrekposten. Toeslagen worden in deze berekening ook niet meegenomen. Het huishouden met een eenverdiener betaalt dus 2,8 keer zoveel belasting en premie volksverzekeringen als het huishouden waarin beide partners werken.
Meerdere factoren verklaren dit verschil. Ten eerste kan de eenverdiener slechts één keer gebruikmaken van de arbeidskorting van ruim € 3000. De tweeverdieners hebben allebei recht op een arbeidskorting van ruim € 3000. Ten tweede is het belastingstelsel in 2019 nog progressief in de eerste drie schijven. De eenverdiener valt daardoor deels in een hogere tariefschijf dan de tweeverdieners. Ten derde kan de partner van de eenverdiener de algemene heffingskorting slechts gedeeltelijk verzilveren op basis van partnerinkomen.
De zorgen over de consistentie van de fiscale wetgeving met het oog op de aanpassingen die gericht zijn op de belastingjaren 2044 tot en met 2046 begrijpt het kabinet. Juist daarom stelt het deze wijziging voor. Het gaat namelijk om een overgangsregeling inzake startersleningen waarvoor in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II was bepaald dat deze per 1 januari 2044 in hoofdstuk 10A van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zal worden opgenomen. Met de voorgestelde aanpassing van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wordt voorkomen dat de invoeging van een overgangsbepaling in hoofdstuk 10A Wet IB 2001 in de periode tot 2044 telkens ook tot technische wijzigingen van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II moet leiden. De voorgestelde opname van de betreffende overgangsregeling in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II in plaats van in de Wet IB 2001 beperkt, gelet op de looptijd van het betreffende overgangsrecht, juist het risico op het ontstaan van inconsistenties in de fiscale wetgeving.
Hoe groot zal het budgettaire belang zijn van de aftrekbare kosten eigen woning van 2019 tot en met 2023?
Geschatte structurele budgettaire belang per regeling
Fiscale regeling | (in miljoen euro) |
Aftrekbare kosten eigen woning | -9100 |
Schenkingsvrijstelling ten behoeve van de eigen woning | -190 |
Hillen | 0 |
EWF | 3100 |
Overdrachtsbelasting | 1845 |
------------------------ | |
Netto | -4,3 miljard |
Welk bedrag is gemoeid met de versnelde afbouw van het aftrektarief en welk bedrag is gemoeid met de verlaging van het EWF? Het kabinet versnelt de afbouw van het aftrektarief. De opbrengst van deze maatregel wordt teruggesluisd naar eigenwoningbezitters door het EWF stapsgewijs te verlagen.
Ramingen budgettaire effecten maatregelen kabinet
-/- =saldoverbeterend, € x mln
Fiscale regeling
2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | |
Versnelde afbouw tarief HRA | 0 | -166 | -323 | -476 | -631 |
Verlaging EWF | 0 | 204 | 432 | 440 | 663 |
Dit kabinet heeft toegezegd om in 2019 de fiscale eigenwoningregeling te evalueren, en wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze evaluatie.
Poster met de belangrijkste wijzigingen in het Belastingplan 2019. (pdf, 1 pagina)
Kan de invoering van het fiscale tweeschijvenstelsel invloed hebben op de hoogte van bestaande alimentatieregelingen en of de versnelde afbouw van het aftrektarief van hypotheekrente leidt tot nieuwe afspraken bij bestaande alimentatieregelingen?
Bij de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige voor vaststelling van te betalen partneralimentatie wordt rekening gehouden met het fiscale voordeel van de aftrekpost voor partneralimentatie. Omdat het fiscale voordeel van de aftrekpost voor alimentatieplichtigen die in de hoogste tariefschijf vallen vermindert, leidt dit inderdaad tot een lagere draagkracht voor de alimentatieplicht. De Expertgroep Alimentatienormen heeft aangegeven hier rekening mee te houden bij het vaststellen van de alimentatienormen die gaan gelden voor de jaren 2020 en later. Voor nieuw vast te stellen alimentatieverplichtingen wordt dus rekening gehouden met deze en andere fiscale wijzigingen. Voor bestaande alimentatieverplichtingen komen geen standaardafspraken. In 2016 ging het om 21.000 van de 80.000 alimentatieplichtigen waarbij de aftrek geheel of gedeeltelijk in de vierde schijf viel. In welke mate men door de tariefmaatregel geraakt wordt en in hoeverre compensatie aan de orde zal zijn, is afhankelijk van het al dan niet aanpassen van de bestaande alimentatieverplichting. Een eventuele aanpassing is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Fiscale wijzigingen kunnen reden zijn om eerder vastgestelde partneralimentatie te herzien. Hierbij gaat het niet alleen om de tariefmaatregel, maar ook om andere wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de behoefte van de alimentatieplichtige aan het ontvangen van partneralimentatie en de draagkracht van de alimentatiegerechtigde om partneralimentatie te betalen. Wijzigingen zoals de invoering van lagere belastingtarieven alsmede de wijzigingen binnen de heffingskortingen of de eigenwoningregeling kunnen eveneens van invloed zijn. Ook worden bij een heroverweging van een eerder vastgestelde alimentatieverplichting alle aspecten die meewegen bij de vaststelling van de hiervoor benoemde behoefte en draagkracht opnieuw bezien. Dit geldt dus bijvoorbeeld ook voor aspecten als een nieuwe partner voor een of beide ex-echtgenoten, het verliezen of starten van een dienstbetrekking of wijzigingen in inkomen. Ook kunnen dit soort aspecten al los van de fiscaliteit aanleiding zijn om een eerder vastgestelde alimentatieverplichting te heroverwegen.
Partijen kunnen in onderling overleg, via een mediator of advocaat of via de rechter tot herziening overgaan. Het onderhavige wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak heeft geen aanleiding gezien opmerkingen te maken over specifiek dit onderwerp.
Is het nodig om de rekening-courant te beperken voor zover er belaste vermogensbestanddelen tegenover staan, zoals leningen waarvoor een hypotheekrecht1 is verstrekt of box 3-effecten zijn aangekocht, en of het kabinet het onwenselijk acht als de dga bij zijn eigen bv leent in plaats van bij de bank.
Bij de uitwerking van de maatregel wordt ervan uitgegaan – afgezien van de hiervoor genoemde uitzonderingen - dat alle (bestaande en toekomstige) leningen boven € 500.000 onder de reikwijdte van de regeling vallen. Dit geldt dus ook voor leningen waarvoor zekerheden zijn verkregen in bijvoorbeeld de vorm van een pandrecht of hypotheekrecht. In dergelijke gevallen worden, net als bij leningen waarvoor geen zekerheden zijn verkregen, liquide middelen aan de vennootschap “onttrokken” en voor privédoeleinden van de schuldenaar aangewend. Fiscale argumenten spelen hierbij een belangrijke rol: het uitstellen van belastingheffing en daarmee het brutobedrag kunnen consumeren of investeren in privémiddelen is fiscaal aantrekkelijker dan een dividend uitkeren waarover eerst 25% belasting moet worden betaald voordat het nettobedrag kan worden besteed. Het blijft voor een aanmerkelijkbelanghouder ook na inwerkingtreding van de maatregel mogelijk te lenen van zijn eigen vennootschap. Ook staat het de aanmerkelijkbelanghouder vrij om geld te lenen bij een bank. Gevolg van de maatregel is enkel dat leningen boven de € 500.000 worden betrokken in de heffing in box 2.
Bron: Rijksoverheid
1Eigenwoningschulden - box 1 - zijn 'uitgesloten' van deze maatregel, zie "Verzachten rekening-courantmaatregel directeuren-grootaandeelhouders" (Eigenwoningschulden DGA)
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99