In dat geval had Consument het kapitaal kunnen aanwenden voor de aankoop van een lijfrente met zijn dochter als begunstigde.
In de Tussenuitspraak heeft de Commissie geoordeeld dat de Bank heeft nagelaten schriftelijk vast te leggen dat Consument ten tijde van het vrijvallen van het lijfrentekapitaal was geïnformeerd over de verschillende aanwendingsmogelijkheden, waaronder de verzekeringsconstructie waarbij het fiscale regime van vóór 1992 kon worden behouden.
Nu de Bank dit heeft nagelaten, dient de vraag of de Bank zijn zorgplicht jegens Consument is nagekomen, ontkennend te worden beantwoord. In dat opzicht is de klacht gegrond.
Het verschil in het bedrag aan inkomstenbelasting die Consument zal gaan betalen over de periode 2018-2022 en die zijn dochter over periode 2011-2016 had moeten voldoen, uitgaande van de situatie dat zij de lijfrente-uitkeringen had ontvangen, is in de optiek van Consument een bedrag van € 6.865. De actuaris heeft vastgesteld dat Consument geen rekening heeft gehouden met de reeds betaalde inkomstenbelasting over 2016 en voorts met een te laag bedrag aan te verrekenen arbeidskorting over 2016.
Een en ander leidt enerzijds tot een verhoging van de schade met een bedrag van € 845. Anderzijds wordt Consument niet gevolgd in zijn standpunt dat een omrekening naar een brutobedrag plaats behoeft te vinden. Dit kan dan ook achterwege blijven, waardoor de schade voor Consument door de Commissie wordt bepaald op een bedrag van € 7.710.
De Commissie beslist dat de Bank binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd een bedrag van € 7.710 aan Consument vergoedt.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99