Indien de belastingplichtige bij het eind van het kalenderjaar |
Percentage |
15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is |
2,2 |
20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is |
2,6 |
25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is |
3,2 |
30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is |
3,8 |
35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is |
4,5 |
40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is |
5,5 |
45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is |
6,6 |
50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is |
7,9 |
55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is |
9,6 |
60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is |
11,4 |
65 jaar of ouder is |
13,2 |
Rood = gewijzigd t.o.v. 2018
De waarde van de aanspraak op een nettolijfrente is vrijgesteld als bezitting voor de vermogensrendementsheffing als aan de in afdeling 5.3A Wet IB 2001 opgenomen voorwaarden wordt voldaan. Een van deze voorwaarden is dat de premie voor de nettolijfrente moet blijven binnen de bij of krachtens de Wet IB 2001 gestelde begrenzingen.
Met ingang van 1 januari 2015 is het pensioengevend inkomen ook voor deelnemers aan een verplichte beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling gemaximeerd (in 2018 geldt een maximum van € 105.075). Indien sprake is van een functie in deeltijd, wordt deze zogenoemde aftoppingsgrens verlaagd door toepassing van de deeltijdfactor. De deeltijdfactor is in dat geval de verhouding tussen het aantal gewerkte uren en 1.750 uren. Ook bij pensioenopbouw in een verplichte beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling moet de deeltijdfactor worden toegepast op de aftoppingsgrens. Op dit moment is niet in lagere regelgeving uitgewerkt hoe de toepassing van de deeltijdfactor op de aftoppingsgrens dient plaats te vinden. Dit wordt nu alsnog geregeld.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99