Vanaf het moment dat de wetswijziging in werking treedt, geldt dat nieuwe gevallen direct onder de nieuwe regel komen te vallen. Voor bestaande gevallen zal overgangsrecht worden getroffen (de artikelen I, onderdeel c, II, onderdeel b, en III, onderdeel B van het wetsvoorstel).
Voor bestaande gevallen wordt geregeld dat zij gedurende 12 maanden na de inwerkingtreding van deze wet, beroep kunnen blijven doen op de thans voor hen in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ geregelde uitzondering. Deze overgangstermijn stelt de belanghebbenden aldus in staat zich voor te bereiden op een mogelijke verlaging of beëindiging van hun uitkering. Die situatie kan zich voordoen, aangezien het wetsvoorstel tot gevolg heeft dat de vermogens- en/of inkomensbestanddelen van de bloedverwant in de tweede graad waarmee de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert, zullen meetellen bij het vaststellen van het recht op een uitkering.
Bepalend voor de vraag of een belanghebbende onder het overgangsrecht valt, is het moment waarop hij zijn aanvraag van een uitkering heeft ingediend. Aanvragen die uiterlijk op de dag voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel worden ingediend, zullen worden beoordeeld op basis van het oude recht. Ook is geregeld dat het oude recht van toepassing is op een bezwaar- of beroepschrift, ingesteld tegen een beslissing op een aanvraag die uiterlijk de dag voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is ingediend.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99