Naar huidig recht geldt dat een aannemer na oplevering van een bouwwerk ontslagen is van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever tijdens de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Het wetsvoorstel wijzigt dit door te regelen dat de aannemer na oplevering aansprakelijk is voor gebreken die bij de oplevering niet zijn ontdekt, tenzij deze niet aan hem zijn toe te rekenen.
In beide gevallen is het aan de opdrachtgever om te bewijzen dat er sprake is van een gebrek tijdens de oplevering. Ook blijft artikel 6:89 BW van toepassing, waarin is bepaald dat de opdrachtgever het gebrek binnen bekwame tijd aan de aannemer moet melden. Naar huidig recht is het aan de opdrachtgever om te bewijzen dat hij het gebrek niet redelijkerwijs had moeten ontdekken (dat het om een verborgen gebrek gaat). Alleen in dat geval is de aannemer aansprakelijk. Uit het voorstel volgt dat het aan de aannemer is om te bewijzen dat het gebrek niet aan hem is toe te rekenen. Alleen dan ontkomt hij aan aansprakelijkheid. De aannemer kan dit bijvoorbeeld doen door te stellen dat hij tijdig heeft gewaarschuwd voor het gebrek, maar dat de opdrachtgever zijn waarschuwing in de wind heeft geslagen. De voorgestelde eis van schriftelijk- en ondubbelzinnigheid ten aanzien van de waarschuwingsplicht van de aannemer verschaft helderheid en daarmee rechtszekerheid over de door hem gegeven waarschuwing. Met deze eis is geen aanscherping van aansprakelijkheid beoogd.
Aansprakelijkheid kan in de eerste plaats worden gebaseerd op overeenkomst (artikel 6:74 BW e.v.). Op grond van het algemene overeenkomstenrecht geldt als uitgangspunt dat de partij – kwaliteitsborger, aannemer of een andere partij die bij de bouw betrokken is – die toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van een verbintenis (afspraak), de schade die de opdrachtgever daardoor lijdt, dient te vergoeden. Wanneer een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst is veroorzaakt door een gebrek in de uitvoering door de aannemer, kan de opdrachtgever hem daarop aanspreken. Als sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de opdracht tot het uitvoeren van de kwaliteitsborging, kan de opdrachtgever de kwaliteitsborger daarop aanspreken.
Naast aansprakelijkheid uit overeenkomst, kan aansprakelijkheid worden gebaseerd op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Deze grond voor aansprakelijkheid kan van belang zijn, als er geen overeenkomst bestaat tussen bijvoorbeeld de opdrachtgever en de kwaliteitsborger. Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad moet zijn voldaan aan een aantal criteria. Zo moet de onrechtmatige daad toe te rekenen zijn aan de kwaliteitsborger, moet er een verband zijn tussen de geleden schade en het handelen van de kwaliteitsborger en moet worden aangetoond dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de geleden schade. Als komt vast te staan dat de schade is toe te rekenen aan de kwaliteitsborger, dient de kwaliteitsborger de schade te vergoeden.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99