De hypothecaire geldlening van € 180.000,- is in 2008 door de Bank verstrekt met tussenkomst van een hypotheekadviseur. De adviseur had Consument moeten informeren over de mogelijkheden en risico’s van de gewenste financiering. De Bank diende vervolgens slechts een marginale toets uit te voeren of de financiering passend en verantwoord was. Niet alleen bleek de financiering hoger dan de marktwaarde van de woning, ook was de financiering hoger dan het door de Gedragscode Hypothecaire Financieringen gehanteerde kredietmaximum. De hypotheekadviseur had Consument hierop moeten wijzen. De Bank heeft Consument voor de risico’s van de verstrekte financiering gewaarschuwd in de hypotheekofferte. Consument heeft deze hypotheekofferte voor akkoord ondertekend. Daarnaast heeft Consument twee lopende kredieten (van € 4.153,- en € 7.458,-) afgelost, zo blijkt uit de instructie aan de notaris van 24 december 2008.
De vraag die voorligt is of de Bank haar zorgplicht jegens Consument heeft geschonden door het verstrekken van een krediet van € 180.000,- aan Consument. De Commissie stelt daarbij voorop dat de maatschappelijke functie van de Bank een bijzondere zorgplicht met zich brengt, welke onder meer strekt tot bescherming tegen overkreditering. Die zorgplicht geldt zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
De zorgplicht van de Bank omvat (via de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid) de verplichting te waken tegen overkreditering (artikel 4:34 Wet op het financieel toezicht, hierna: Wft). Deze verplichting rust ook op de Bank, indien Consument wordt bijgestaan door een hypotheekadviseur (zie artikel 4:34 Wft jo. artikel 1:1 Wft alsmede artikel 6 Gedragscode Hypothecaire Financieringen 2007, hierna: GHF.
Met overkreditering wordt de situatie bedoeld waarin een krediet aan een consument wordt verstrekt en de consument de bij dit krediet behorende lasten gezien zijn financiële situatie niet kan dragen.
De zorgplicht te waken voor de overkreditering verplicht kredietverstrekkers voorafgaand aan het sluiten van een kredietovereenkomst met consumenten inlichtingen in te winnen met betrekking tot hun inkomens- en vermogenspositie zodat overkreditering voorkomen kan worden. Deze verplichting komt voort uit de opvatting dat een kredietverlenende bank ter zake kundiger is en in de regel beter dan een kredietvragende consument in staat is de gevolgen van kredietverstrekking te overzien, weer te geven en te beoordelen of consument in staat zal zijn de lasten van de kredietverstrekking te (blijven) dragen.
Uit de door partijen overgelegde stukken en door hen ingenomen stellingen blijkt echter in het geheel niet dat de vermogenspositie van Consument aanleiding gaf meer te verstrekken dan de verstrekkingsnormen van GHF. Daarbij komt nog dat ook de verhouding tussen inkomen en schuld daartoe evenmin aanleiding gaf. Sterker nog, op basis van de stukken lijkt die verhouding helemaal niet goed te zijn geweest en was het niet aannemelijk dat die verhouding (bijvoorbeeld door een inkomensstijging) beter zou worden. De Bank heeft niets aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt.
Dit maakt dat de Commissie van oordeel is dat de argumentatie die de Bank ten grondslag heeft gelegd aan de overschrijding van de maximale leencapaciteit niet correct is. De Bank heeft dan ook niet voldaan aan het vereiste de overschrijding van de verstrekkingsnormen correct te motiveren en die motivering vast te leggen in het financieringsdossier van Consument.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99