De woonquote van huurders is sinds 2012 met 2 procentpunt gestegen, ten opzichte van 2015 is deze niet verder toegenomen. De woonquote van eigenaren is tussen 2015 en 2018 met 0,4 procentpunt gedaald, na een afname van 3 procentpunt tussen 2012 en 2015. Het toegenomen verschil dat tussen 2012 en 2015 is opgetreden in de woonquote van huurders en woningeigenaren wordt niet verklaard door een groter verschil in gemiddeld inkomen tussen de twee groepen, maar door een groter verschil in de gemiddelde woonlasten.
De totale woonlasten van huurders zijn gemiddeld met 14 procent toegenomen ten opzichte van 2012, vanaf 2015 bleef de stijging beperkt tot 4 procent. De stijging van woonlasten komt volledig voor rekening van hogere huren. De hoogte van de bijkomende woonlasten, zoals gemeentebelastingen en uitgaven aan energie en water, is ten opzichte van 2012 nauwelijks veranderd en het hogere gemiddeld ontvangen bedrag aan huurtoeslag had een verlagend effect op de woonlasten van de groep huurders in 2018.
Ten opzichte van 2015 zijn de totale woonlasten voor de groep woningeigenaren in 2018 gemiddeld 2 procent hoger. Wel is dit nog 5 procent lager dan de gemiddelde woonlasten voor eigenaren in 2012. De daling in de gemiddelde woonlasten van eigenaren houdt verband met de lagere bruto hypotheekuitgaven, mede veroorzaakt door de gedaalde rente, strengere regelgeving rond hypotheken en dalende hypotheekschuld onder oudere woningeigenaren. Door de sterke daling van het belastingvoordeel van woningeigenaren tussen 2015 en 2018 komen de totale woonlasten 2 procent hoger uit dan in 2015.
Huishoudens in een koopwoning met een huishoudenshoofd jonger dan 35 jaar hebben hogere relatieve woonlasten dan oudere woningeigenaren. De gemiddelde woonquote van jonge huishoudens is 32,0, terwijl woningeigenaren van 45 jaar of ouder gemiddeld 28,0 procent van hun inkomen aan woonlasten besteden. Jonge huurders hebben tevens relatief hogere woonlasten dan huurders in de leeftijd van 35 tot 55 jaar. Ook huurders van 55 jaar of ouder besteden gemiddeld een groter deel van hun inkomen aan wonen.
Huishoudens die behoren tot de 20% minst welvarende huishoudens van Nederland hebben gemiddeld een hogere woonquote dan de meer welvarende huishoudens. Woningeigenaren uit de 20% minst welvarende huishoudens besteden gemiddeld bijna de helft van hun besteedbaar inkomen aan woonlasten, huurders zo’n 42 procent. De gemiddelde netto woonlasten van woningeigenaren uit deze groep komen in 2018 uit op 963 euro per maand. Woningeigenaren uit de 20% meest welvarende huishoudens betalen maandelijks 1 038 euro aan woonlasten, gemiddeld nog geen kwart van hun besteedbaar inkomen.
Bron: CBS
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99