In 2016, 2017 en 2018 zijn er wijzigingen doorgevoerd in de vermogensrendementsheffing die er met name op gericht waren om het forfaitaire rendement dichter te laten aansluiten bij het gemiddelde werkelijke rendement. Zo heeft dit kabinet het forfaitaire rendement op spaargeld sneller laten aansluiten op het werkelijke spaarrendement en het heffingvrije vermogen per 2018 verhoogd van € 25.000 naar € 30.000, waardoor het aantal belastingplichtigen in box 3 is afgenomen met 360.000.
Het kabinet vindt het van belang dat de vermogensrendementsheffing zoveel mogelijk aan een aantal uitgangspunten voldoet. Het gaat daarbij om de aansluiting bij het gevoel van rechtvaardigheid en de draagkracht van de belastingbetaler, dat de belastingbetaler niet wordt opgezadeld met hoge administratieve lasten, dat het stelsel een brede heffingsgrondslag heeft die voldoende robuust is tegen belastingontwijking en dat het goed uitvoerbaar is.
Op basis van de Voortgangsrapportage en het Keuzedocument box 3 komt het kabinet tot de conclusie dat een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement niet kan voldoen aan alle hiervoor genoemde uitgangspunten. Een overgang naar een stelsel op basis van werkelijk rendement is daarom op korte of middellange termijn alleen denkbaar als er concessies worden gedaan op een of meerdere van de uitgangspunten, namelijk het aantal belastingplichtigen (en daarmee de reikwijdte van de grondslag), de vooringevulde aangifte, de mogelijkheden tot het tegengaan van belastingontwijking of de stabiliteit en omvang van de belastinginkomsten.
Bij een vermogensaanwasbelasting wordt jaarlijks belasting geheven over de reguliere inkomsten (zoals rente, dividend en huur) en de waardeontwikkeling van vermogenstitels (zoals koerswinst of koersverlies over aandelen, waardestijging of waardedaling van onroerend goed). Een belangrijk gevolg is dat langdurig uitstel van belastingheffing wordt voorkomen. Het betekent echter ook dat wordt geheven over een waardeontwikkeling van een vermogensbestanddeel dat niet is verkocht. De belastingplichtige dient over voldoende liquide middelen te beschikken om de verschuldigde belasting over de ongerealiseerde waardeontwikkeling te kunnen voldoen.
Bij een vermogenswinstbelasting wordt naast de heffing over de reguliere inkomsten, een waardeontwikkeling belast op het moment van verkoop van het vermogensbestanddeel. Er wordt dus geheven over het verschil tussen de verkoop- en verkrijgingsprijs. Het gevolg van de keuze voor deze vorm van heffen over werkelijk rendement is dat langdurig uitstel wel mogelijk is. Het heeft ook tot gevolg dat latere wijzigingen na de invoering complex zijn, doordat er bij een eventuele systeemwijziging in de tijd opgebouwde belastingclaims bestaan waarover moet worden afgerekend of waarvoor langdurig overgangsrecht moet worden ingevoerd.
In Nederland neemt de vooringevulde aangifte een cruciale rol in bij de dienstverlening aan burgers en bij de handhaving door de Belastingdienst. Om de vooringevulde aangifte zoveel mogelijk in stand te houden bij het belasten van werkelijk rendement, zal de vermogensrendementsheffing mogelijk een jaar achter moeten gaan lopen op de heffing in box 1 en box 2. Veel benodigde gegevens zullen anders namelijk niet of niet op tijd beschikbaar zijn voor tijdige verwerking in de vooringevulde aangifte.
Om een stelsel op basis van werkelijk rendement uitvoerbaar en handhaafbaar te houden voor de Belastingdienst zal de groep belastingplichtigen aanzienlijk kleiner moeten worden dan de huidige circa 2,8 miljoen. De meest voor de hand liggende manier om dit te bereiken is door middel van een verhoging van de heffingvrije voet. De belastingopbrengsten van de vermogensrendementsheffing zullen structureel dalen, gezien de smallere grondslag.
In een brief aan de Tweede Kamer kondigt staatssecretaris Snel zes nieuwe onderzoeken aan ter vereenvoudiging van het belastingsysteem voor burgers, bedrijven én de Belastingdienst:
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99