Het voorstel voor het verhogen van de afbouwgrens voor paren maakt onderdeel uit van een pakket maatregelen om gezinnen met kinderen te ondersteunen. Daartoe behoren naast het verhogen van het kindgebonden budget voor paren, de verhoging van de kinderbijslag, het verhogen van de kinderopvangtoeslag en ook de uitbreiding van het partnerverlof bij geboorte.
Het (fiscaal) partnerbegrip in het kindgebonden budget wijkt af van het partnerbegrip in de uitkeringsregelingen dat uit gaat van de feitelijke situatie. Dit betekent dat er een groep ouders is die geen recht heeft op de alleenstaande ouderkop maar feitelijk wel alleen woont, bijvoorbeeld waar sprake is van een partner in detentie. Specifiek voor de doelgroep met een partner die elders woont c.q. verblijft geldt, dat de reden en de duur van de afwezigheid van de partner sterk kunnen verschillen. De beoordeling of zij al dan niet als alleenstaande worden gezien verschilt per situatie. Ook de financiële situatie van deze gezinnen kan divers zijn. Omdat het om een relatief pluriforme groep gaat, zijn dit situaties die vragen om een beoordeling op basis van lokaal maatwerk. Dit kan via het toepassen van het centrale individualiseringsbeginsel in artikel 18, eerste lid, Participatiewet. Dit artikel biedt gemeenten de mogelijkheid om in individuele gevallen de hoogte van de algemene bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De Centrale Raad van Beroep heeft over deze vorm van maatwerkondersteuning vorig jaar een uitspraak gedaan en bepaald dat een gemeente met toepassing van genoemd artikel in beginsel gehouden is tot afstemming van de bijstand. Daarbij dient aansluiting te worden gezocht bij het geldende bedrag van de alleenstaande ouderkop, tenzij er sprake is van in aanmerking te nemen middelen.
Een nabetaling op een toeslag heeft geen effect op het toetsingsinkomen voor andere toeslagen, maar telt wel mee voor het vermogen. Dat is relevant op 1 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de nabetaling ook daadwerkelijk is overgemaakt op de bankrekening van de desbetreffende ouder. Het kindgebonden budget, de huurtoeslag en de zorgtoeslag kennen een vermogensgrens waarboven er geen recht op toeslag bestaat. Voor het bepalen van het recht op toeslag, is het vermogen op 1 januari van het toeslagjaar bepalend. Er zullen daarom in het kader van deze herstelactie aan het einde van het kalenderjaar geen nabetalingen plaatsvinden. Ouders worden in de brief waarin zij op de hoogte worden gesteld van de nabetaling, ook geattendeerd op de vermogensgrenzen die voor de verschillende toeslagen worden gehanteerd. Voor uitkeringen geldt dat een toeslag in het kader van het kindgebonden budget niet tot de middelen behoort waarmee bij berekening van de uitkering rekening moet worden gehouden.
Bron: Rijksoverheid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99