Naast de mogelijkheid om vervroegd af te lossen bieden sommige banken consumenten ook de mogelijkheid aan om gedurende een rentevastperiode een nieuwe debetrente overeen te komen. Dit kan bijvoorbeeld interessant zijn wanneer de geldende debetrente voor een bepaalde periode (veel) lager is dan de overeengekomen debetrente. Bij het (enkel) wijzigen van de debetrentevoet is er geen sprake van vervroegde aflossing en is het verbod om meer dan het financiële nadeel in rekening te brengen bij vervroegde aflossing niet van toepassing.
De regering is gevraagd op om de norm in het BGfo die voor vervroegde aflossing geldt ook van toepassing te verklaren op rentemiddeling
Dit besluit bevat een wijziging van het BGfo die er in voorziet dat aanbieders van hypothecair krediet geen vergoeding mogen vragen die hoger is dan het financiële nadeel dat de aanbieder heeft doordat de overeenkomst inzake de debetrentevoet en rentevastperiode bij een hypothecair krediet voorafgaand aan het verstrijken van de looptijd van die overeenkomst wordt beëindigd.
Sinds 14 juli 2016 gelden er regels voor de vergoeding voor vervroegde aflossing die aanbieders in rekening mogen brengen. Bij rentemiddeling wordt deze vergoeding uitgesmeerd over de nieuwe looptijd en een nieuwe rente berekend. Er wordt echter niet vervroegd afgelost. De regels voor vervroegde aflossing zijn daarom niet 1 op 1 van toepassing bij rentemiddeling. Zo hoeven aanbieders bij de berekening van het nieuwe bedrag geen rekening te houden met de jaarlijkse vergoedingsvrije ruimte.
Na ingang van de nieuwe regels (1 juli 2019) is het voor aanbieders van hypothecair krediet niet meer toegestaan om een extra opslag in rekening te brengen bovenop de nieuwe rentemiddelingsrente.
Bron: Rijksoverheid/AFM
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99