De aard van art. 7:980 lid 1 BW (een wettelijke termijn van dwingend recht) en de op bescherming van (onder meer) de verzekeringnemer gerichte strekking van de bepaling staan eraan in de weg om aan te nemen dat het voor de uitleg daarvan verschil maakt of zich al dan niet omstandigheden hebben voorgedaan als door verzekeraar genoemd.
Verzekeraar betoogt voorts dat, nu verzekeringnemer feitelijk veel langer dan een maand gelegenheid heeft gehad om de premie aan te zuiveren, een beroep op art. 7:980 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Commissie van Beroep verwerpt dit betoog.
Het had van de medewerker van verzekeraar die in augustus en september 2015 sprak met verzekeringnemer over de achterstand in de betaling van hypotheekrente, verwacht mogen worden dat hij ook de premiebetalingen voor de verzekering aan de orde stelde. Gelet op de achterstand in betaling van de hypotheekrente lag het immers voor de hand dat verzekeringnemer ook met de premiebetaling achter was, zoals overigens ook was doorgegeven aan de afdeling hypotheken. Nu verzekeringnemer te kennen had gegeven graag in de woning te willen blijven wonen, had de betrokken medewerker zich behoren te realiseren dat een achterstand in betaling van de premies negatieve consequenties zou hebben voor de verzekering en voor het vooruitzicht dat de hypotheeklening zou kunnen worden afgelost met de uit de verzekering te ontvangen uitkering. Door na te laten dit onderwerp met Verzekeringnemer te bespreken, is verzekeraar in de gegeven omstandigheden tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens verzekeringnemer.
Bron: Kifid
Fintool
info@fintool.nl
085 111 89 99